Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:20345
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,994 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.4860 en NL24.4863
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres, en
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer], eiser, (gezamenlijk: eisers) (gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 5 februari 2024 niet in behandeling genomen omdat volgens de minister Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, W. Woning als tolk en de gemachtigde van de minister.
1.2.
Bij tussenuitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de minister de gelegenheid te geven het Bureau Medische Advisering (BMA) om advies te vragen en een nader standpunt in te nemen.
1.3.
Bij brief van 28 juni 2024 heeft de minister het advies van het BMA, met dagtekening van 26 juni 2024, overgelegd en zijn standpunt hierover kenbaar gemaakt.
1.4.
Eisers hebben hierop op 26 juli 2024 gereageerd, met de mededeling dat zij een reactie hebben gevraagd aan de behandelaar en deze nog willen inbrengen.
1.5.
De rechtbank heeft eisers in de gelegenheid gesteld om hun reactie aan te vullen tot en met 26 augustus 2024. Eisers hebben op 23 augustus 2024 medegedeeld dat er van de behandelend arts, ondanks 3 keer rappel, nog steeds geen reactie is ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens op 28 augustus 2024 het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat geldt ook voor de medische zorg. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak echter ook geoordeeld dat het zorgvuldigheidsbeginsel met zich meebrengt dat de minister in het geval van eiser gehouden was om advies te vragen aan het BMA en te onderzoeken of de psychische gesteldheid van eiser aan een overdracht aan Frankrijk in de weg staat. De rechtbank heeft de minister de gelegenheid gegeven om dit gebrek te herstellen. De minister heeft vervolgens het BMA om advies gevraagd en dit advies ingebracht.
4. In het BMA-advies van 26 juni 2024 staat, kort gezegd, dat eiser een bipolaire stoornis heeft met een recente ernstige depressieve episode, daarvoor onder actieve medische behandeling staat, en dat eiser desalniettemin zal kunnen reizen mits een fysieke overdracht geregeld is. Onder verwijzing naar dit advies heeft de minister zich in de brief van 28 juni 2024 op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De minister heeft daarbij als aanvullende motivering opgenomen dat de medische informatie van eiser voorafgaand aan de overdracht aan de Franse autoriteiten kenbaar zal worden gemaakt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister erop vertrouwen dat de medische behandeling die eiser nodig heeft in Frankrijk voorhanden is. Zolang de Franse autoriteiten niet aangeven dat zij de medische zorg niet kunnen bieden, staat dit de overdracht niet in de weg. Als Frankrijk echter voorafgaand aan de overdracht en na het delen van de informatie te kennen geeft eiser niet de benodigde medische zorg te kunnen bieden, zal de minister uiteraard niet overgaan tot overdracht van eisers aan Frankrijk. Verder zal eiser gelijk met zijn partner (eiseres) worden overgedragen, zodat de benodigde mantelzorg kan worden voortgezet/verleend.
5. Eisers voeren primair aan dat de minister zich niet op het standpunt kan stellen dat zij kunnen worden overgedragen aan Frankrijk, omdat het BMA-advies niet volledig is. In het BMA-advies is volgens eisers niet aangegeven wat de gevolgen zouden zijn van de overdracht voor de gezondheidstoestand van, terwijl dit door de behandelaren wel is aangedragen. Eisers wijzen daarbij op een brief van de behandelaren van 3 juni 2024, waarin staat dat eiser in 2023 in Frankrijk voor een langere periode opgenomen geweest is in het kader van psychotische stoornissen bij [ziekenhuis], en dat eiser zonder medicatie met ontslag is laten gaan waarna hij psychotisch gedecompenseerd is geraakt. Er staat ook dat er tijdens eisers eerste opname in Frankrijk en na zijn ontslag manische klachten waren en dat die mogelijk zijn verergerd door het voorschrift antidepressivum. Eisers leiden hieruit af dat de behandelaren menen dat eiser in Frankrijk geen goede zorg heeft gehad. Volgens eisers is deze informatie ten onrechte niet betrokken in het BMA- advies. Dit had te meer gemoeten, omdat uit het BMA-advies blijkt dat de bipolaire stoornis van eiser van chronische aard is, waaruit volgt dat eiser (ook in Frankrijk) langdurig zorg en toezicht nodig zal hebben. De BMA-arts had daarom volgens eisers een oordeel moeten geven over de mogelijke gevolgen van het voortzetten van die zorg in Frankrijk en wat de gevolgen voor de psychische gesteldheid van eiser daarvan zouden zijn. Dit op vergelijkbare wijze als de beoordeling van de vraag naar een medische noodsituatie en of deze wordt
verwacht bij het uitblijven van behandeling. Het advies is dan ook niet inzichtelijk en concludent en de minister kan zich, onder andere om deze reden, dus niet op baseren.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.2.
Uit het arrest C.K.1 volgt dat wanneer een asielzoeker een bijzonder slechte gezondheid heeft het niet kan worden uitgesloten dat de overdracht op zich voor de betrokkene een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest kan inhouden, ongeacht de kwaliteit van de opvang en de zorg die aanwezig zijn in een lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek. Wanneer een asielzoeker objectieve gegevens verstrekt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, mogen de autoriteiten van de betrokken lidstaat, de rechterlijke instanties daaronder begrepen, die gegevens niet buiten beschouwing laten. Het is aan die autoriteiten om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In heb bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.2
5.3.
De rechtbank is – anders dan eisers stellen- van oordeel dat de minister op grond van het BMA-advies zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers kunnen worden overgedragen aan Frankrijk.
5.4.
Conform hetgeen uit het C.K. arrest volgt, is in het BMA-advies op basis van de medische gegevens – gezien de vraagstelling en de aanbevelingen van het BMA - beoordeeld wat de gevolgen van de overdracht zijn voor de gezondheidstoestand van eiser. Het BMA stelt in het advies dat de overdracht alleen plaats kan vinden als er een fysieke overdracht wordt geregeld. Zij bevelen daarbij aan dat eiser reist met een begeleider zoals een psychiatrisch verpleegkundige en zijn partner voor ondersteuning, geruststelling en toezicht op de medicatie-inname. De begeleider kan eiser direct na de reis overdragen aan een psychiater voor verdere beoordeling van de psychiatrische toestand en voor het instellen van follow up. De artsen stellen dat mantelzorg essentieel is (toezicht op medicatie-inname) en door de partner moet worden voortgezet. Zij bevelen aan dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, en om de medicatie te continueren tijdens de reis en om voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. De rechtbank leidt uit deze aanbevelingen af dat het BMA niet alleen gekeken heeft naar de gevolgen van het fysieke vervoer, maar ook naar de gevolgen voor eisers psychische toestand. Die gevolgen worden ondervangen door het reizen met een begeleider, het innemen van medicatie en de overdracht aan een psychiater in Frankrijk.
5.5.
De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat het BMA advies onvolledig is omdat hetgeen zij stellen over de kwaliteit van de eerdere in Frankrijk geleverde zorg (en hun verwachtingen ten aanzien van de te leveren zorg in Frankrijk in de toekomst) had
1. Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 16 februari 2024 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
2 Punten 73-76.
moeten worden genoemd en meegewogen in het BMA-advies. Dit had volgens eisers gemoeten conform de beoordeling van de vraag naar een medische noodsituatie in - naar de rechtbank begrijpt - het kader van een artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) beoordeling.
5.6.
De rechtbank volgt eisers niet in dit standpunt, omdat op grond van artikel 6.1.
Conclusie
7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Omdat de minister in zijn reactie op de tussenuitspraak en in de brief van 28 juni 2024 het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 oktober 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.