Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:2033
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,565 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.24706
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. C.S. Treziak).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 1 augustus 2023 (bestreden besluit). De staatsecretaris heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland meteen verlaten. Ook heeft de staatssecretaris aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar.
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 14 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
5. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn. Hij is bij vonnis van 16 februari 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden. Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van harddrugs. Dit blijkt uit een uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst van 1 augustus 2023. De vreemdelingenpolitie heeft eiser op 30 december 2022 gehoord over het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Van dit gehoor is proces-verbaal opgemaakt. Op 24 maart 2023 heeft de vreemdelingenpolitie het voorstel gedaan om een inreisverbod uit te vaardigen. Bij beschikking van 20 april 2023 is conform dit voorstel beslist. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Deze procedures staan bekend onder de zaaknummers NL23.12493 en NL23.12492. Bij brief van 4 juli 2023 is de beschikking ingetrokken, omdat de staatssecretaris had miskend dat eiser nationaal verblijfsrecht in Polen heeft. Eiser heeft voornoemde procedures ingetrokken.
Bestreden besluit
6.1
Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de staatssecretaris aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet meteen uit Nederland en de EU vertrekken. De staatssecretaris heeft aan de hand van de aard en de ernst van het misdrijf, het tijdsverloop sinds het misdrijf werd gepleegd gemotiveerd dat eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde is. De maatregel is volgens de staatssecretaris niet onevenredig. Van eiser kan worden gevergd dat hij Nederland en de Europese Unie onmiddellijk verlaat. Eiser heeft geen verblijfsrecht in Nederland en daarbij heeft hij een ernstig drugsdelict gepleegd. Banden met Nederland heeft eiser naar eigen zeggen niet. Hij kan naar Albanië terugkeren. Daar wonen de ouders en een broer van eiser. Eiser gaat liever naar België of Griekenland maar als dat niet mag kan eiser zonder problemen naar Albanië, zo verklaarde eiser bij de vreemdelingenpolitie.
6.2
Dat eiser in Polen nog tot april 2025 verblijfsrecht heeft is onvoldoende reden om geen onmiddellijk vertrek te eisen (en af te zien van een inreisverbod). Het is aan Polen om te beoordelen of de strafrechtelijke gedragingen ertoe leiden dat eiser zijn verblijfsrecht verliest. Indien het verblijfsrecht in stand blijft, vervalt het inreisverbod en is op eiser alleen nog een maatregel van toepassing die het grondgebied van Nederland betreft.
6.3
De staatssecretaris heeft ook een zwaar inreisverbod opgelegd. In de persoonlijke feiten en omstandigheden heeft de staatssecretaris geen aanleiding gezien om het inreisverbod achterwege te laten.
Gronden
7.1
Eiser voert aan dat hij geen daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde is en dat hij om die reden dan ook niet kan worden uitgezet.
Volgens eiser is de staatssecretaris selectief in het citeren van het strafrechtelijk vonnis. Ook is de staatssecretaris niet in het bezit van het strafdossier. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 februari 2022 (ECLI:NL:RBNNE:2022:529). De staatssecretaris dient op basis van de feiten te beoordelen of eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, niet op basis van aannames. Zo heeft de staatssecretaris gesteld dat eiser een kostbare partij cocaïne heeft kwijtgespeeld en is het denkbaar dat de opdrachtgevers eiser verantwoordelijk houden en eiser ertoe aanzetten het verlies te compenseren. Dit is volgens eiser een aanname van de staatssecretaris.
Eiser voert ten aanzien van de aard en ernst van het misdrijf aan dat de staatssecretaris enkel heeft aangegeven dat het strafvonnis spreekt van een ernstig feit. Hiermee heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd waarom de aard en ernst van het misdrijf maken dat sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde.
Eiser wijst ten aanzien van de aard en ernst van het misdrijf ook op de arresten van het Hof van Justitie van 6 juli 2023 (C-402/22, C-8/22 en C-663/21). Eiser meent dat de staatssecretaris ten onrechte niet met al deze omstandigheden rekening heeft gehouden. De staatssecretaris heeft bijvoorbeeld niet gemotiveerd waarom dit misdrijf uitzonderlijk ernstig is. Daarnaast is de verhouding tussen de hoogte van de op het misdrijf gestelde straf en de daadwerkelijk opgelegde straf niet meegewogen. Reden waarom het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
7.2
De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit aangegeven dat eiser samen met anderen heeft getracht cocaïne met een straatwaarde van omstreeks een miljoen euro uit te voeren. Bij een controle werden in het voertuig waarin eiser naar België op weg was verschillende tassen aangetroffen met daarin in totaal 31 kilogram cocaïne. Het strafvonnis noemt dat een ernstig feit. Cocaïne is een stof die zeer verslavend werkt en zeer schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Daarnaast worden door de uitvoer van drugs de (internationale) handel in verdovende middelen en alle nadelige effecten daarvan in stand gehouden. Vaak gaat de handel in drugs ook gepaard met vele vormen van criminaliteit.
7.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich ten aanzien van de aard en ernst van het misdrijf terecht op het standpunt gesteld dat eiser een werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, omdat eiser samen met anderen heeft getracht cocaïne met een straatwaarde van omstreeks een miljoen euro uit te voeren. De enkele stellingen van eiser dat de staatssecretaris selectief is in het citeren van het strafrechtelijk vonnis en niet in het bezit is van het strafdossier doen daar niet aan af, omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom die stellingen zouden maken dat eiser geen werkelijk en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De enkele stelling van eiser dat de verhouding tussen de hoogte van de op het misdrijf gestelde straf en de daadwerkelijk opgelegde straf niet is meegewogen, zonder toelichting waarom dit in het geval van eiser van belang is voor de beoordeling of hij een werkelijk en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De betogen van eiser treffen geen doel.
7.4
Het betoog van eiser dat de staatssecretaris op basis van de feiten dient te oordelen en niet op basis van aannames, treft ook geen doel, omdat de staatssecretaris ook de recente pleegdatum, de niet geringe duur van de opgelegde gevangenisstraf en het feit dat de eiser zijn tijd sinds het plegen van het misdrijf uitsluitend in detentie heeft doorgebracht bij de beoordeling heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris overeenkomstig het arrest Z.Zh. en I.O. van 11 juni 2015 (ECLI:EU:C:2015:377) de persoonlijke gedragingen van eiser voldoende bij de beoordeling betrokken en deugdelijk gemotiveerd dat eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt.
7.5
Ook het betoog van eiser dat het strafvonnis het een ernstig feit noemt en de staatssecretaris hiermee niet zelf heeft gemotiveerd waarom de aard en ernst van het misdrijf maken dat sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde, slaagt gelet op het voorgaande niet.
7.6
Voor zover eiser wijst op de uitspraken van het Hof van Justitie van 6 juli 2023 is de rechtbank van oordeel dat ook deze beroepsgrond niet slaagt, omdat deze jurisprudentie gaat over artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU). Deze richtlijn is niet op eiser van toepassing.
8.1
Eiser wijst verder op procesafspraken tussen de verdediging en het openbaar ministerie. Er is een akkoord voor een gevangenisstraf van 33 maanden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Beoordeling
Kennelijk achtte het openbaar ministerie dat voldoende. Deze omstandigheid had de staatssecretaris bij de aard en ernst van het misdrijf moeten betrekken.
8.2
De staatssecretaris stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de gemaakte procesafspraken niks van doen hebben met de aard en ernst van het strafbare feit. Uit het strafrechtelijk vonnis blijkt immers heel duidelijk dat de afspraken enkel zijn gemaakt met het oogpunt van efficiëntie. Het openbaar ministerie heeft het daarnaast van belang geacht om de afspraken te maken zodat er strafonderbreking zou kunnen worden verleend met de voorwaarde dat eiser niet meer zou terugkeren naar Nederland en dit in het belang van de maatschappij zou zijn.
8.3
De rechtbank volgt het standpunt van de staatssecretaris. Omdat de procesafspraken in het geval van eiser niks van doen hebben met de aard en ernst van het strafbare feit, behoeft deze beroepsgrond verder geen bespreking.
9.1
Eiser voert ten aanzien van het tijdsverloop aan dat de staatssecretaris ten onrechte heeft aangegeven dat het weinigzeggend is dat eiser niet eerder in Nederland is veroordeeld, omdat hij niet in Nederland woont. Daarnaast zou eiser geen verantwoordelijkheid nemen en het ontoelaatbare van zijn handelen niet inzien. Beiden zijn onjuist. Eiser heeft in zijn gehoor namelijk aangegeven niet eerder in andere landen te zijn veroordeeld, spijt te hebben en hij heeft zijn verontschuldigingen aangeboden.
9.2
De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit aangegeven dat het feit recent is gepleegd en eiser sindsdien is gedetineerd. Eiser heeft niet als vrij man laten zien dat hij zijn leven duurzaam heeft gebeterd. Eiser is bereid en in staat gebleken tot een schadelijk misdrijf. Dat eiser in Nederland niet eerder was veroordeeld, is weinigzeggend omdat eiser niet in Nederland woont. In de strafzaak heeft eiser bovendien ‘volstrekt ongeloofwaardig’ verklaard. Niet gebleken is dat eiser verantwoordelijkheid neemt en het ontoelaatbare van zijn handelen inziet. Daarom ligt niet in de rede dat eiser zich inzet om zijn leven te beteren, of daarvan zelfs maar de noodzaak inziet. Eiser had een ‘beperkte rol’ en als koerier zou hij niet de grootste winst opstrijken, aldus het vonnis. Maar de staatssecretaris stelt vast dat van eiser kennelijk eenvoudig misbruik kan worden gemaakt of dat hij zich in omstandigheden bevindt die dit misbruik in de hand werken. Gesteld noch gebleken is dat eiser thans minder beïnvloedbaar is of dat de (financiële) omstandigheden van eiser nu anders zijn, aldus het besluit.
9.3
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht bij de beoordeling heeft betrokken dat het strafbare feit recentelijk is gepleegd, dat eiser sindsdien is gedetineerd en dat eiser niet als vrij man heeft laten zien dat hij zijn leven heeft gebeterd. Met de staatssecretaris is de rechtbank van oordeel dat aan het zogenoemde actualiteitsvereiste is voldaan en dat niet is gebleken van een positieve gedragsverandering. In de enkele stellingen van eiser dat hij niet eerder is veroordeeld, dat hij spijt heeft en dat hij zijn verontschuldigingen heeft aangeboden, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Ook dit betoog treft geen doel.
10.1
Eiser voert verder aan dat de staatssecretaris met het oog op een zorgvuldige besluitvorming eerst het verzoek om informatie aan Polen had moeten richten, de uitkomst daarvan had moeten afwachten en pas dan een nieuw terugkeerbesluit had kunnen nemen. Immers weet de staatssecretaris nu niet of eiser terug kan en mag keren naar Polen. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ((ABRvS) van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155) en het arrest van het Hof van Justitie van 14 mei 2020 (ECLI:EU:C:2020:367). Verder wijst eiser op de zogenoemde overlegprocedure zoals bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO). Eiser meent dat de staatssecretaris hier te laat mee is gestart. Eiser wijst op het arrest E van het Hof van Justitie van 13 december 2017 (ECLI:EU:C:2017:963), meer specifiek rechtsoverweging 38. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft gewezen op de conclusie van Advocaat Generaal J. Kokott van 13 december 2017, maar dat eiser bedoelde te wijzen op het arrest van 16 januari 2018 (ECLI:EU:C:2018:8),
10.2
De staatssecretaris heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het besluit niet tevens een besluit tot signalering betreft. In het besluit staat dan ook ten onrechte het volgende opgenomen: “Indien uw verblijfsrecht in stand blijft, vervalt het inreisverbod en is op u alleen nog een maatregel van toepassing die het grondgebied van Nederland betreft.”. Eiser staat momenteel niet gesignaleerd en het terugkeerbesluit en het zware inreisverbod zullen, indien Polen niet binnen de redelijke termijn van negen maanden reageert, ook niet gesignaleerd worden. De staatssecretaris wijst in dit verband op het Intern Bericht (IB) 2023/26, pagina 5.
10.3
Verder stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat de raadplegingsprocedure conform paragraaf A2/12.10.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) dient te worden opgestart voorafgaand aan het invoeren van een signalering inzake terugkeer in SIS, als de vreemdeling verblijfsrecht heeft in een andere lidstaat. De staatssecretaris wijst op het eerder genoemde IB 2023/26, pagina 4, nummer 2. De staatssecretaris heeft vrijwel direct nadat bleek dat eiser een verblijfsrecht had in Polen, doch in ieder geval gelijktijdig met het opleggen van het terugkeerbesluit en het zware inreisverbod, de raadplegingsprocedure met Polen opgestart. Eiser is daarbij (vooralsnog) niet in het signaleringssysteem opgenomen. Dat de staatssecretaris de raadplegingsprocedure te laat zou hebben opgestart, wordt dan ook nadrukkelijk door de staatssecretaris verworpen.
10.4
De rechtbank oordeelt als volgt. Voor zover eiser wijst op de uitspraak van de ABRvS van 2 juni 2021 en het arrest van het Hof van Justitie van 14 mei 2020, is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt omdat in het besluit Albanië is genoemd als zijnde het land waar naar eiser dient terug te keren.
10.5
Verder wijst de rechtbank op de uitspraak van de ABRvS van 14 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3581) waar in overweging 8.1 is overwogen: “De handelwijze dat de staatssecretaris de vreemdeling laat vertrekken naar de lidstaat waar hij verblijfsrecht heeft, gaat in tegen het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn dat vereist dat vreemdelingen naar een derde land worden uitgezet als zij een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormen. Zolang de vreemdeling zijn verblijfsrecht in de andere lidstaat behoudt, houdt hij volgens het Hof wel het recht om daar na een verwijdering naar een derde land naartoe te gaan (arrest E, punten 50 en 55).”.
10.6
Ook wijst de rechtbank op overweging 11.1 van voornoemde uitspraak van de ABRvS. Daar heeft de ABRvS overwogen dat uit punt 38 van het arrest E volgt dat die overlegprocedure zo snel mogelijk moet worden gestart om te voorkomen dat de tegenstrijdige situatie blijft bestaan, waarin een derdelander aan de ene kant beschikt over een, door een andere lidstaat afgegeven, geldige verblijfstitel en hem aan de andere kant de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van alle lidstaten is ontzegd. Het Hof heeft in punt 39 van het arrest E overwogen dat de overlegprocedure daarom ook al kan worden opgestart voordat het terugkeerbesluit wordt opgelegd en het inreisverbod wordt uitgevaardigd en in ieder geval moet worden opgestart zodra dat gebeurt.