Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:20057
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,658 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/180177-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 27 november 2024
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
De vordering is – gelijktijdig met de samenhangende strafzaak - behandeld op de terechtzitting van 13 november 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. B.A.C. Looijestijn op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de raadsman van de veroordeelde mr. M.S. Rozenbeek op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 16.702,87 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
3De grondslag voor ontneming
De veroordeelde is op 27 november 2024 door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens de volgende strafbare feiten:
ten aanzien van feit 3 (primair):
Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 5:
Medeplegen van oplichting;
ten aanzien van feit 6:
Medeplegen van oplichting;
ten aanzien van feit 7:
Medeplegen van oplichting.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van deze bewezen verklaarde strafbare feiten. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd.
De officier van justitie is uitgegaan van de volgende berekening uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel (opgemaakt op 2 juli 2021):
TOTALE OPBRENGST:
Zaak 1 en 2 € 0,-
Zaak 3 en 4 € 1.100,-
Zaak 5 € 2.000,-
Zaak 6 € 15.560,75
Zaak 7 € 9.800,-
Zaak 8 € 4.950,-
Totaal € 33.470,75
De totale opbrengst die toe te rekenen is aan verdachte [veroordeelde] en zijn medeverdachte [medeverdachte] , bedraagt € 33.470, 75.
TOTALE (BENZINE)KOSTEN:
Zaak 3 en 4 € 1,60
Zaak 6 € 8,42
Zaak 7 € 21,84
Zaak 8 € 20,59
Totaal € 52,45
Bovenstaande kosten bestaan geheel uit benzinekosten die verdachte [veroordeelde] en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben gemaakt. Aangezien er ook nog kleine ritten zijn gemaakt binnen Leiden, onder andere naar de Breestraat (zaak 4) en mogelijk iets anders is gereden, zullen de kosten in het voordeel van de verdachten worden gesteld op € 65,-.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt op basis van het vorenstaande:
Opbrengst € 33.470,75
Kosten € 65,-
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 33.405,75.
Uit het onderzoek is niet naar voren gekomen wat de verdeling van het geld tussen [veroordeelde] en zijn medeverdachte [medeverdachte] is. Het is wel duidelijk geworden dat zij onderdeel waren van een organisatie, maar het is niet bekend in welke verhouding zij tot elkaar stonden. Aangezien de verdachten meerdere malen samen in dezelfde omgeving waren, is het aannemelijk dat zij de strafbare feiten samen hebben gepleegd. Er zijn in het onderzoek geen andere verdachten bekend geworden. Derhalve zal het wederrechtelijk verkregen voordeel ponds-ponds gewijs aan de verdachten worden toegerekend. Op grond van het vorenstaande wordt gesteld, dat de veroordeelde een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen van € 16.702,87.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel (maximaal) kan worden geschat op een bedrag van € 500,00, gelet op de verklaring van de veroordeelde.
4.3.
Bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020201756, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 378 vervolgdossier en het aanvullend procesdossier p. 338 t/m 365).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1Het strafvonnis van deze rechtbank van heden tegen de veroordeelde gewezen.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] , opgemaakt op 11 februari 2021 (p. 55-56 vervolgdossier):
Voornamen: [voornaam verdachte]
Naam: [achternaam verdachte]
V: Hoeveel zou jij er mee verdienen?
A: Rond de 2000 euro en dat in twee dagen volgens mij.
3. Het geschrift, te weten de Whatsappgesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 2] . (p. 166-175 vervolgdossier):
[whatsapp id 1] [telefoonnummer 1] : Hey met [verdachte 1]
[whatsapp id 2] [verdachte 2] . (owner): Hoi [verdachte 2] hier
[whatsapp id 1] [telefoonnummer 1] : Oke alleen ik sta wel in de min
[whatsapp id 2] [verdachte 2] . (owner): Ik ga zorg ervoor dat die min geregeld is en dat word van je 40% uitbetaling afgehaald goed?
[whatsapp id 2] [verdachte 2] . (owner): Staat die nu op 5000?
[whatsapp id 1] [telefoonnummer 1] : ja
[whatsapp id 2] [verdachte 2] . (owner): Oké het spreekt dan voor zich dat je uitbetaling ongeveer tussen de 1600/2200 zal zijn ga je akkoord?
[whatsapp id 1] [telefoonnummer 1] : ja
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 december 2020 (p. 65-87 vervolgdossier):
Whatsapp gesprek 24, opgeslagen op de iPhone 7 die is aangetroffen onder [veroordeelde] . Betreft een Whatsapp gesprek tussen het nummer [telefoonnummer 1] en de gebruiker (owner) van de iPhone 7 met nummer [telefoonnummer 2] onder de naam “ [verdachte 2] ”. Gesprek gaat over het ter beschikking stellen van de bankrekening en bankpas van [verdachte 1] voor het incasseren van de winst van een bedrijf wat “ [verdachte 2] ” vertegenwoordigd.
Conclusie
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 2.000,00.
5De vaststelling van de betalingsverplichting
5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie komt bij de vaststelling van de betalingsverplichting op een ander bedrag uit dan het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat bij de berekening in het rapport uitgegaan wordt van een schadebedrag van € 900,00 in zaak 3. Het slachtoffer van zaak 3, [naam] , heeft ook een vordering benadeelde partij ingediend. Volgens de officier van justitie moet dit bedrag daarom in mindering worden gebracht op het geschatte bedrag uit het rapport. De € 900,00 zal gedeeld moeten worden door [medeverdachte] en [veroordeelde] . In totaal zal er € 450,00 per persoon in mindering moet worden gebracht op de betalingsverplichting.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een bedrag van € 16.252,87.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft betoogd dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een bedrag van (maximaal) € 500,00, gelet op de verklaring van de veroordeelde.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 2.000,00.
5.4.
Conclusie
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 2.000,00.
6Het toepasselijke wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.000,00 (tweeduizend euro);
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 2.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 40 (veertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Rabbie, voorzitter,
mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.C. Veltink en S.A.E. Tesson, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2024.