Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:2002
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
897 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2411
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] ( [land] ), eiser
en
het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder
(gemachtigde: mr. [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de voorlopige jaarafrekening over zorgjaar 2020 waarin de bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) van eiser is vastgesteld.
1.1.
Op 1 oktober 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van verweerder van 24 september 2021.
1.2.
Met het bestreden besluit van 4 maart 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft vernomen dat eiser is overleden op [datum 1] 2022.
1.5.
De rechtbank heeft, gelet op artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de Staatscourant van [datum 2] 2023 aangekondigd dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 14 februari 2024.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Van de zijde van de erfgenamen is niemand verschenen.
Beoordeling
2. Eiser is overleden. Niet gebleken is van erfgenamen die eiser als partij in het geding zijn opgevolgd en het beroep zouden willen voortzetten. De uitnodiging voor de zitting van de rechtbank is per aangetekende post naar het laatst bekende woonadres van eiser verstuurd. Vooruitlopend op de publicatie in de Staatscourant is per reguliere post naar datzelfde adres een oproep aan de erven gestuurd. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen.
3. Uit hetgeen wat is overwogen onder 2 volgt dat het processuele belang aan de beoordeling van het beroep is komen te ontvallen. Het beroep zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de Staatscourant van 15 december 2023, nummer 35062.