Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:200
Civiel recht
Verstek
1,112 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/658124/HA ZA 23-1082
Vonnis van 10 januari 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V. te [plaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. W. van Leuveren te Waddinxveen,
tegen
[gedaagde] B.V. te [plaats 2] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 23 november 2023, tegen de eerste roldatum van 13 december 2023, met producties 1 tot en met 6;
het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
Voor de ingestelde vorderingen en de daartoe gestelde feiten verwijst de rechtbank, gelet op artikel 230 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kortheidshalve naar de aan dit verstekvonnis gehechte en gewaarmerkte kopie van de dagvaarding.
2.2.
De gevorderde hoofdsom met contractuele rente komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze komt voor toewijzing in aanmerking.
2.3.
Eiseres vordert een bedrag van € 6.388,16 aan buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. In het onderhavige geval zijn partijen - beide partijen daarbij handelend in de uitoefening van beroep of bedrijf - echter een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten overeengekomen ter hoogte van 15% van de hoofdsom die van de wettelijke regeling afwijkt. De vordering zal dan ook worden getoetst aan het rapport Voor-werk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank ziet aanleiding om het gevorderde bedrag van € 6.388,16 aan buitengerechtelijke kosten ambtshalve te matigen. De reden daarvoor is dat eiseres op basis van het Besluit in aanmerking komt voor een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.200,76 en niet vast is komen te staan dat de door haar gemaakte reële kosten dit bedrag overstijgen. Daarom zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 1.200,76.
2.4.
Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:
- dagvaarding € 109,44
- griffierecht € 2.837,-
- salaris advocaat € 1.183,- (1 punt × tarief IV à € 1.183,-)
- nakosten € 173,- (met de in de beslissing genoemde verhoging)
totaal € 4.302,44
2.5.
De over de proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.
Dictum
De rechtbank
3.1.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 48.211,89 vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% over het bedrag van € 42.587,76 aan hoofdsom te rekenen vanaf 13 december 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 1.200,76 aan buitengerechtelijke kosten;
3.3.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 4.302,44 te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 90,- extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening van de proceskosten;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2024.
Type: