Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:19969
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
732 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/13938
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige afgewezen.
Verzoeker heeft op 3 september 2024 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter op 3 september 2024 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb wordt door de griffier een griffierecht geheven.
2. Op grond van artikel 8:82, derde lid, en artikel 8:41, zesde lid, van de Awb wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. Op 12 september 2024 heeft het LCDR op verzoek van de griffier verzoeker per aangetekende brief – verstuurd naar het door verzoeker opgegeven adres – verzocht het griffierecht binnen twee weken te betalen. Op 7 oktober heeft het LCDR de verzonden nota retour ontvangen. Uit de informatie van PostNL blijkt dat verzoeker de brief niet heeft opgehaald bij het PostNL-punt. De voorzieningenrechter mag er in beginsel van uitgaan dat verzoeker een afhaalbericht van deze aangetekende brief heeft ontvangen. Het niet afhalen van een aan hem geadresseerd aangetekend poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van verzoeker komt.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Verder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 28 november 2024 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Algemene wet bestuursrecht.
Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.