Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:19930
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,005 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44053
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Scholtens).
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 19 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 20 november 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft op 22 november 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser voert aan dat het beroep tegen de afwijzende asielbeschikking van 8 november 2024 niet eerder dan op 5 december 2024 ter zitting zal worden behandeld en dat de termijn als bedoeld in artikel 83b, derde lid, Vw (uitspraak binnen vier weken na indiening van beroep) zal worden overschreden. Ten tijde van de behandeling zal eiser 6 à 7 weken in vreemdelingenbewaring hebben doorgebracht. Een dergelijke duur is niet gerechtvaardigd en kan niet voor rekening en risico van eiser komen.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 november 2024 beroep heeft ingesteld tegen de afwijzende asielbeschikking. Dat betekent dat de mondelinge behandeling van eisers asielberoep plaatsvindt binnen de termijn als bedoeld in artikel 83b, derde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Niet is uitgesloten dat de rechtbank binnen de hiervoor bedoelde termijn ook (mondeling) uitspraak doet. Bovendien maakt enkel de overschrijding van deze termijn niet dat de voortduring van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw op enig moment onrechtmatig wordt. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 juni 2024 en oordeelt dat het tijdsverloop in de asielprocedure in dit geval niet leidt tot het oordeel dat de vrijheidsontneming langer duurt dan noodzakelijk.
6. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2639, r.o. 5.1.