Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:19917
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,117 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36145
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Hij heeft digitaal aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en afkomstig te zijn uit Syrië. Hij heeft op 16 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend.
2. Op 16 september 2024 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij internationale bescherming in Duitsland geniet.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Verweerder is er ten onrechte vanuit gegaan dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser heeft namelijk geen verblijfsstatus in Duitsland en er is ook geen zicht op dat hij deze zal krijgen, omdat zijn herhaalde asielaanvraag in Duitsland is afgewezen en hij uit Duitsland is vertrokken naar Syrië. Eiser verwijst naar de door hem overgelegde Duitse beschikking van 28 september 2022 waaruit blijkt dat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Duitsland, hij Duitsland wordt uitgewezen, niet mag inreizen en zijn verblijfsvergunning niet wordt verlengd. Deze Duitse beschikking is door verweerder ten onrechte niet in de besluitvorming betrokken. Eiser stelt dat in geval van terugkeer naar Duitsland sprake zal zijn van een uitzichtloos toekomstscenario voor hem, omdat hij zich dan als illegale vreemdeling zal moeten staande houden en niet zal mogen werken of huisvesting zal krijgen. Ten slotte voert eiser aan dat hij in Duitsland het risico loopt te worden uitgezet naar Syrië, dat hij onderworpen zal worden aan (in)direct refoulement en het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder had verder onderzoek moeten doen naar de verblijfsstatus van eiser in Duitsland.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Een asielaanvraag is niet-ontvankelijk als aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.106a, eerste lid, onder a tot en met e, van het Vb is voldaan. Artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb bepaalt dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard als de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
5. Uit verweerders Eurodac-bevraging van 16 augustus 2024 blijkt dat eiser sinds 19 augustus 2016 internationale bescherming geniet in Duitsland. Door de IND liaison ambtenaar in Nürnberg is vervolgens contact opgenomen met de Duitse autoriteiten. Uit het door verweerder overgelegde ‘resultaat Dacty onderzoek’ van 12 september 2024 blijkt dat aan eiser een vluchtelingenstatus is verleend in 2016, dat hij nog steeds internationale bescherming geniet in Duitsland, dat zijn verblijfsvergunning is ingetrokken en dat hem een Duldung is verstrekt die geldig is tot 3 december 2025. Deze liaison ambtenaar heeft opnieuw contact opgenomen met de Duitse autoriteiten in verband met de behandeling van het beroep. Het resultaat Dacty onderzoek van 5 november 2024 bevestigt het eerdere resultaat uit het Dacty onderzoek van 12 september 2024.Verweerder mag in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals bijvoorbeeld een Eurodac-resultaat, onder de voorwaarde dat de informatie voldoende recent is en dat hieruit duidelijk blijkt wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van voldoende recente informatie die ook voldoende duidelijk maakt wat de verblijfsrechtelijke status is van eiser is in Duitsland. Dat aan eiser een Duldung is verstrekt, maakt niet dat daarmee zijn internationale beschermingsstatus is ingetrokken of beëindigd. De Duldung ziet immers enkel op de verblijfstitel en niet op de beschermingsstatus van eiser. Een internationale beschermingsstatus eindigt namelijk alleen na een individuele beoordeling. Dat zijn herhaalde asielaanvraag is afgewezen en dat hij stelt langere tijd naar Syrië te zijn vertrokken, maakt evenmin dat eiser hiermee concrete aanwijzingen of aanknopingspunten heeft aangedragen om aan te nemen dat zijn internationale beschermingsstatus is ingetrokken of beëindigd. Gezien reeds nader onderzoek is verricht door verweerder, wordt niet gevolgd waarom verweerder nogmaals nader onderzoek dient te verrichten naar de verblijfsstatus van eiser in Duitsland. Verweerder is er gelet op het voorgaande terecht van uit gegaan dat eiser nog internationale bescherming geniet in Duitsland.
6. Voorts geldt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier niet in geslaagd. De enkele stelling dat eiser door zijn Duldung-status niets kan en mag, dat hij een uitzichtloos toekomstscenario heeft en dat hij geen verblijfsvergunning zal krijgen, is daartoe onvoldoende onderbouwing. Eisers stelling dat hij door Duitsland terug zal worden gestuurd naar Syrië heeft hij evenmin onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Duitsland het risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland het beginsel van non-refoulement niet naleeft.
De beroepsgrond slaagt niet.
7. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 november 2024 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Op grond van artikel 34, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Volgt uit de uitspaken van de Afdeling van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441, en van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:74.
Volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, en van 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2484.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.