Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:19385
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,144 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3422
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Kremers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] B.V., uit [vestigingsplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen).
Inleiding
1.1
In het besluit van 23 december 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de kap van zes bomen op het perceel [adres] te [plaatsnaam] (het perceel). Een omgevingsvergunning voor de kap van één boom op het perceel is geweigerd.
1.2
In het besluit van 25 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van onder meer eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld, samen met de beroepen in de zaken met nummers SGR 22/4228 en 23/4399. In die zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
1.5
Aan de zitting hebben – voor wat betreft deze zaak – deelgenomen: eiser, de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] , en de gemachtigde van vergunninghouder, vergezeld door [naam 3] en [naam 4] .
Beoordeling
2.1
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift tenminste de gronden van het beroep bevat.
2.2
In artikel 6:6, van de Awb is bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te hertellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft geen gronden van het beroep ingediend.
2.4
In een brief van 27 mei 2024 heeft de rechtbank eiser medegedeeld dat zijn beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden die aan een beroepschrift worden gesteld. Eiser is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door de gronden van het beroep zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van deze brief aan de rechtbank toe te sturen. Voldoet eiser niet aan dit verzoek en dient hij ook niet binnen die termijn een verzoek om uitstel van het indienen van de gronden in, dan kan de rechtbank eisers beroep niet-ontvankelijk verklaren.
2.5
Eiser heeft vervolgens geen gronden van het beroep ingediend en het verzuim daardoor niet hersteld. Eiser heeft op zitting toegelicht dat dit verband houdt met verblijf in het buitenland. Dat levert geen verschoonbaar verzuim op.
Conclusie
3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzitter, en mr. R.H. Smits en
mr. R.S. Wijling, leden, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.