Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:19084
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,074 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43333
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel ).
Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. van den Hoogen, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De tolk was 50 minuten vertraagd. De rechtbank heeft, met instemming van partijen, een aanvang gemaakt met de behandeling van het beroep en heeft eiser op een later moment op de dag gehoord in het bijzijn van de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en er een significant risico bestaat op onderduiken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser heeft enkel de zware grond 3a betwist. De onbetwiste zware gronden 3b, 3e, en 3k en de onbetwiste lichte gronden 4a, 4c en 4d kunnen de maatregel van bewaring echter al dragen. Deze gronden kunnen de maatregel dragen omdat zij feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de zware grond 3a kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
2.2.
Eiser heeft ter zitting aangegeven dat zijn broertje in Nederland is en dat hij bij zijn broertje wil blijven. Nederland zou daarom zijn asielaanvraag moeten behandelen. Dit betreft echter een grond die ziet op het besluit tot overdracht. Dat besluit ligt nu niet ter toetsing voor.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.