Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:18885
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,853 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.42630
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Modi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1965.
Grondslag van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat de voor terugkeer van betrokkene noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnenkort voorhanden zijn.
3. Eiseres stelt dat zij niet op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw in bewaring gesteld mocht worden. Er is namelijk niet voldaan aan de voorwaarde, genoemd in het arrest M. e.a.1, dat de derdelander weigert om naar de lidstaat te vertrekken, waar hij een verblijfsrecht heeft. Hiertoe voert eiseres aan dat er geen sprake is van een weigering van medewerking. In het gehoor voor inbewaringstelling van 30 oktober 2024 zegt eiseres dat
1ECLI:EU:C:2021:127.
als voor haar een taxi was geregeld om naar Duitsland te vertrekken, zij was meegegaan. Zij dacht dan ook dat dit voor haar geregeld zou worden. Dit is niet het actief weigeren van medewerking.
4. De rechtbank overweegt het volgende. Uit het genoemde arrest M. e.a. volgt dat de minister een illegaal in Nederland verblijvende derdelander volgens nationale wetgeving met het oog op vertrek in bewaring kan stellen als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:
3a. de illegaal in Nederland verblijvende derdelander geniet internationale bescherming in een andere lidstaat en,
3b. de derdelander weigert om naar die lidstaat te vertrekken en,
3c. het is juridisch onmogelijk voor de minister om een terugkeerbesluit te nemen.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 12 januari 20222 bevestigd dat een illegaal in Nederland verblijvende derdelander met een geldige asielvergunning in een andere lidstaat door verweerder in bewaring kan worden gesteld. Verder heeft de Afdeling in voornoemde uitspraak bevestigd dat artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 kan gelden als (nationaalrechtelijke) grondslag voor een dergelijke inbewaringstelling.
6. De rechtbank oordeelt dat uit het dossier blijkt dat eiseres wel degelijk weigert mee te werken aan een terugkeer naar Duitsland, waar zij een verblijfsrecht heeft. In de vertrekgesprekken op 29 augustus 2024 en 27 september 2024 verklaart eiseres dat zij absoluut niet terug wil naar Duitsland. Daarnaast heeft eiseres ook geen enkele aanstalten gemaakt om zelfstandig te vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Medische situatie
7. Eiseres stelt dat geen of onvoldoende rekening is gehouden met haar medische omstandigheden, zowel fysiek (eiseres loopt met een stok) als psychisch. Dit maakt de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend.
8. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. De door eiseres aangevoerde omstandigheden maken niet dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. In de maatregel van bewaring wordt aangegeven dat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de maatschappij. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de medische omstandigheden van eiseres zijn meegenomen in de besluitvorming en er is vastgesteld dat de medische zorg in het geval van eiseres niet ontoereikend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
9. Eiseres stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hiertoe voert eiseres aan dat bij de aanhouding € 3.000,- in beslag zou zijn genomen, hetgeen niet in het dossier terug te vinden is. Daarbij voert eiseres aan dat, ondanks dat zij niet ingeschreven staat in het BRP en dit ook niet mogelijk is omdat zij in een asielzoekerscentrum verblijft, haar verblijfplaats wel bekend is en eiseres verklaart hier ook traceerbaar te zijn. De minister had bijvoorbeeld een meldplicht kunnen opleggen in plaats van de maatregel van bewaring.
2ECLI:NL:RVS:2022:28.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit het dossier blijkt niet dat bij eiseres € 3.000 is aangetroffen. Eiseres heeft verklaard alleen leefgeld van het COA te ontvangen en geld van haar in Iran wonende tante in bewaring te hebben, voor het geval het daar mis gaat. Eiseres heeft niet te kennen gegeven vrijelijk over dat geld te beschikken. Daarnaast heeft eiseres, zoals al is overwogen, zelf geen activiteiten ondernomen om naar Duitsland te vertrekken en er ook geen blijk van gegeven dat wel van plan te zijn. Om er zeker van te zijn dat eiseres beschikbaar is voor een overdracht aan de Duitse autoriteiten, mocht de minister onder deze omstandigheden ertoe overgaan om eiseres in bewaring te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 november 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.