Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:18874
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,479 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.40198
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.F. Pols).
Procesverloop
De minister heeft op 6 juni 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1999 dan wel [geboortedatum 2] 1993.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 september 2024 (in de zaak NL24.34901) volgt dat de
maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Hij voert daartoe aan de minister heeft verzuimd om eisers ‘echte’ gegevens aan de Algerijnse autoriteiten te overleggen. Volgens eiser is het niet aan de minister om de door hem in het vertrekgesprek van 26 september 2024 genoemde gegevens al dan niet geloofwaardig te vinden, maar aan de Algerijnse autoriteiten. Dat eiser deze gegevens niet kan onderbouwen met documenten doet daaraan volgens eiser niet af, te meer omdat de lp- aanvraag al geruime tijd loopt en de Algerijnse autoriteiten een welwillende houding hebben laten zien. Het verzenden van aanvullende gegevens is voor de minister een zeer geringe inspanning en dit had de minister volgens eiser dan ook met het rappel van 2 oktober 2024 kunnen en moeten doen. Ook stelt eiser dat de minister onzorgvuldig handelt door het verslag van het vertrekgesprek van 26 september 2024 niet aan het dossier toe te voegen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Het voortvarendheidsvereiste
6. Op 21 oktober 2024 heeft de minister het verslag van het vertrekgesprek van 26 september 2024 toegevoegd aan het dossier. Eisers stelling dat de minister ter zake onzorgvuldig heeft gehandeld slaagt niet.
7. De rechtbank overweegt dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. In het vertrekgesprek van 26 september 2024 heeft eiser gesteld dat zijn echte naam Soufiane Bendoukhane is en dat hij is geboren op 10 oktober 1993. Uit het vertrekgesprek van 26 september 2024 blijkt dat eiser stelt dat hij een paspoort heeft in Algerije. Aan eiser is voorgesteld om via zijn familie het paspoort of een foto daarvan te verkrijgen. Eiser heeft daarop onder meer geantwoord dat hij niet met zijn moeder kan bellen en alleen via Facebook contact met haar kan krijgen, dat zijn moeder te oud zou zijn om een foto van het paspoort te maken en dit naar hem te mailen en dat hij niemand anders kent die dit zou kunnen doen of die hem zou kunnen helpen. Het enkel stellen van een identiteit zonder daartoe enige verifieerbare informatie aan te leveren of een aantoonbare poging daartoe te doen is niet voldoende om te concluderen dat eiser voldoet aan zijn medewerkingsverplichting. Nu eiser niet aan zijn medewerkingsverplichting voldoet en niet heeft onderbouwd dat moet worden uitgegaan van de door hem gestelde gegevens, was de minister evenmin gehouden om deze gegevens aan de Algerijnse nationaliteiten te overleggen. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 2 oktober 2024 bij de Algerijnse autoriteiten heeft gerappelleerd. Daarnaast voert verweerder met regelmaat vertrekgesprekken met eiser, laatstelijk op 26 september 2024. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 oktober 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.