Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:18870
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,264 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.32682
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: E.N. Zijlstra).
Procesverloop
De minister heeft op 23 mei 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1963.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 juni 2024 (in de zaak NL24.22272) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (11 juni 2024) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Hij stelt daartoe dat de minister een kopie van het nationaal paspoort van eiser onder zich heeft, maar deze niet onder de aandacht van de Marokkaanse autoriteiten heeft gebracht. Eiser stelt dat verweerder hierdoor niet voldoet aan zijn inspanningsverplichting. Eiser stelt dat de bewaring hierdoor onrechtmatig is.
5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat er wel zicht op uitzetting is en dat de minister voldoende voortvarend handelt. De aanvraag om een laissez-passer (lp) is op 4 juni doorgezet naar de Marokkaanse autoriteiten, met een kopie van eisers paspoort. De aanvraag is niet onredelijk lang in behandeling. De minister neemt ook in aanmerking dat eiser niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
6. Uit de voortgangsrapportage van 16 augustus 2024 blijkt dat er op 4 juni 2024 een lp aanvraag is ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Uit het verweerschrift van 26 augustus 2024 blijkt dat de minister het paspoort op 4 juni 2024 onder de aandacht van de Marokkaanse autoriteiten heeft gebracht. Uit de voortgangsrapportage van 16 augustus 2024 volgt verder dat de minister op 18 juni 2024, 10 juli 2024 en 30 juli 2024 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft gerappelleerd. Ook blijkt uit niets dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen lp aan eiser te zullen verstrekken; zo lang is de aanvraag om een lp ook nog niet in behandeling. Verder heeft de minister terecht van belang geacht dat eiser niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, zoals blijkt uit de verslagen van de vertrekgesprekken. Zo heeft eiser tijdens zijn vertrekgesprek van 23 juli 2024 gezegd dat hij nooit zal vertrekken. Ook uit het verslag van het latere vertrekgesprek van 6 augustus 20224 blijkt niet dat eiser actie heeft ondernomen. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het zicht op uitzetting aanwezig is en dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 augustus 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.