Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:18777
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,917 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33861
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie
, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 1 maart 2024. In die uitspraak staat dat de minister binnen acht weken moet beslissen op de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf ‘nareis asiel’, tenzij nader onderzoek nodig is. Dan moet de minister binnen twintig weken beslissen. Eiseres stelt beroep in omdat de minister dat niet heeft gedaan.
1.1.
Partijen zijn door de rechtbank voor een zitting uitgenodigd. De rechtbank heeft daarna laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen het daarmee eens zijn heeft de rechtbank de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
2. Eiseres heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Beoordeling
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Voordat eiseres een beroep kan indienen tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag, moet eiseres schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat er binnen twee weken alsnog moet worden beslist (de ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan eiseres beroep indienen.
4. De rechtbank stelt vast dat de minister na de onder 1. genoemde uitspraak geen besluit op de aanvraag van eiseres heeft genomen. Daarmee moet de minister de in die uitspraak genoemde rechterlijke dwangsom van € 7.500,- betalen. Van eiseres wordt in dit geval niet gevraagd om opnieuw een ingebrekestelling in te dienen, omdat de door de rechtbank gegeven termijn op uiterlijk 26 april 2024 al is verstreken. Dit betekent dat het beroep gegrond is.Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft in de uitspraak van 16 augustus 2024 geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘first in first out’ (fifo)-principe van de minister. Dit betekent dat de rechtbank in principe een termijn van negentig dagen oplegt, die begint vanaf het moment dat de minister de zaak van eiseres in behandeling neemt. De minister heeft in haar verweerschrift aangegeven de aanvraag van eiseres in januari 2025 in behandeling te nemen. Dit betekent dat de minister vóór 1 april 2025 een beslissing op de aanvraag van eiseres bekend dient te maken.
Legt de rechtbank de minister een (nieuwe) rechterlijke dwangsom op?
6. Eiseres heeft gevraagd om de dwangsom te verhogen naar € 250,- per dag en een hoger maximum van € 15.000,-. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat als de minister niet vóór 1 april 2025 een besluit op de aanvraag neemt, de minister (opnieuw) een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
6.1.
De dwangsom is bedoeld als prikkel om het bestuursorgaan te bewegen een besluit te nemen. In de meeste gevallen is een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- daarvoor voldoende. Als de minister een weigerachtige houding heeft, kan de rechtbank daarom als extra prikkel de dwangsom verhogen. In dit geval is het niet zo dat de minister geen besluit wil nemen, maar dat sprake is van capaciteitsproblemen waardoor de minister niet op tijd kan beslissen. Omdat deze problemen wel voor rekening komen van de minister én eiseres belang heeft bij een snelle beslissing op haar aanvraag, vindt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- redelijk.
Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?
7. Eiseres heeft gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. In de uitspraak van 1 maart 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, vastgesteld dat de dwangsom € 742,- bedraagt, omdat deze is verschuldigd vanaf 3 februari 2024 tot en met 28 februari 2024. Inmiddels is de volledige bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- verbeurd. Dat betekent dat de minister nog een dwangsom van € 700,- aan eiseres moet vergoeden.
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, de minister moet voor 1 april 2025 een besluit nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet dan is aan eiseres een dwangsom verschuldigd. De bestuurlijke dwangsom is inmiddels ‘volgelopen’ en de rechtbank zal dat hierna vastleggen.
9. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 437,50.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om vóór 1 april 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
stelt de hoogte van de door de minister aan eiseres verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 700,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
NL24.5183.
Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
ECLI:NL:RBDHA:2024:13031.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5.