Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:18766
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,046 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40436
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 15 oktober 2024, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het terugkeerbesluit op de juiste wijze aan eiser bekendgemaakt?
4. Eiser voert aan dat aan de maatregel van bewaring geen rechtsgeldig terugkeerbesluit ten grondslag ligt, omdat het terugkeerbesluit niet op de juister wijze aan hem is bekendgemaakt. Uit het dossier blijkt niet dat het terugkeerbesluit aan eiser is uitgereikt. Daarnaast is eiser op 28 augustus 2023 met onbekende bestemming geregistreerd. Hij heeft van het terugkeerbesluit pas op 15 oktober 2024 kennisgenomen, zodat vanaf die datum pas de vertrektermijn van 28 dagen is gaan lopen.
4.1
De rechtbank volgt de stelling van eiser dat het terugkeerbesluit niet op de juiste wijze aan hem bekend zou zijn gemaakt niet. Uit het digitale dossier blijkt dat de meeromvattende beschikking van 1 september 2023 (afwijzing asielaanvraag en terugkeerbesluit) naar de gemachtigde die eiser in de asielprocedure heeft bijgestaan is verzonden. Eiser heeft niet betwist dat deze gemachtigde hem in de asielprocedure heeft bijgestaan. Het terugkeerbesluit is daarmee overeenkomstig C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De enkele stelling van eiser dat zijn advocaat geen contact met hem heeft onderhouden is onvoldoende. Het is aan eiser om contact te onderhouden met zijn gemachtigde zodat hij kennis had kunnen nemen van het betreffende besluit. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het terugkeerbesluit überhaupt niet aan eiser in persoon kon worden uitgereikt, omdat hij op 28 augustus 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Gelet op het voorgaande ligt aan de maatregel van bewaring een geldig terugkeerbesluit ten grondslag.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden van deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.