Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:18712
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,214 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37260
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Tadzjiekse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
En
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: drs. B.H. Wezeman).
Procesverloop
Bij besluit van 17 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de
overdrachtstermijn verlengd wegens onderduiken.
Eiser heeft op 24 september 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft op 8 november 2024 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de
gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren, met bericht
vooraf, afwezig.
Het onderzoek ter zitting is geschorst in afwachting van een bericht van de gemachtigde van
eiser, in reactie op het verzoek om de rechtbank te laten weten of er nog contact met eiser is.
Nadat de bedoelde reactie was ontvangen is het onderzoek op 13 november 2024 gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het beroep
van eiser niet inhoudelijk wordt behandeld en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna
legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Met het bericht van 8 november 2024 heeft de minister te kennen gegeven dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Bij dit bericht is een schermafbeelding van het interne systeem van de minister (Indigo) overgelegd waaruit blijkt dat eiser op 11 september 2024 zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten. Nu eiser MOB is, ligt de vraag voor of hij nog procesbelang heeft bij deze procedure.
3. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State (Afdeling) recent heeft overwogen dat de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan
met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Dit in
het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden
van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming. Zolang de gemachtigde contact heeft
met de vreemdeling, mag ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling belang heeft bij zijn
procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen.
4. De gemachtigde van eiser heeft bij schrijven van 12 november 2024 de rechtbank
laten weten dat zij geen contact meer onderhoudt met eiser. Gelet hierop moet er in beginsel
vanuit gegaan worden dat de behandeling van het beroep niet meer van feitelijke betekenis
is en eiser geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep. Voorts is door eiser niet
gesteld dat sprake is van geleden schade door het bestreden besluit. Dat betekent dat eiser
geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit,
het procesbelang hangende deze procedure is komen te ontvallen en het beroep daarom niet-
ontvankelijk is.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het beroep tegen het bestreden
besluit niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.