Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:18582
Strafrecht
Wraking
1,612 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans gedetineerd PI [plaats] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. S.P. Koerselman te Zoetermeer,
strekkende tot de wraking van
mrs. F.X. Cozijn, L. Amperse en F. Bouman,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 10 september 2024;
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 september 2024;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 23 september 2024.
1.2.
Op 28 oktober is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- mr. S.P. Koerselman, advocaat te Zoetermeer, namens verzoeker;
- mrs. L. Amperse en F. Bouman, de rechters.
Mr. F.X. Cozijn heeft laten weten niet te kunnen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaak met nummer 09/174427/24 tegen [verzoeker] als verdachte. Op 10 september 2024 heeft er een eerste pro formazitting plaatsgevonden in deze zaak.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft bij de afwijzing van de verzoeken van de raadsvrouw van verzoeker om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen, expliciet overwogen dat het gaat om een jonge, kwetsbare vrouw. De vermeende kwetsbaarheid van het slachtoffer kan van doorslaggevend belang worden geacht, nu dit de kern van de verdenking mensenhandel, ex art. 273f Wetboek van Strafrecht, raakt. Door nu al vast te stellen dat het gaat om een jonge, kwetsbare vrouw, heeft de rechtbank blijk gegeven van vooringenomenheid.
2.3.
Bij de mondelinge behandeling heeft verzoeker nog het volgende aangevuld:
De tenlastelegging en de gronden voor de voorlopige hechtenis zien op een kwetsbare positie van het slachtoffer en feitelijke omstandigheden. Door het slachtoffer te kwalificeren als jong en kwetsbaar, staat voor de rechtbank reeds vast dat verzoeker het strafbare feit heeft gepleegd. Daarnaast borduren volgende rechters voort op het oordeel van de rechters ten aanzien van eerdere verzoeken om opheffing, dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis en krijgt verzoeker geen eerlijke kans.
2.3.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
Verzoeker legt aan het verzoek ten grondslag dat de motivering van de (tussen)beslissing zodanig is dat hieruit (de schijn van) partijdigheid van de rechtbank volgt. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 september 2024 heeft de rechtbank omtrent de gronden van de voorlopige hechtenis het volgende overwogen: Ook de gronden acht de rechtbank onverkort aanwezig. De onderzoeksgrond is nog van kracht, immers moet [naam] nog worden gehoord en dat deel van het onderzoek zou de verdachte in beginsel kunnen frustreren als hij op vrije voeten is. Verder is de 12-jaarsgrond in combinatie met de geschokte rechtsorde onverkort aanwezig. Het gaat om een verdenking van uitbuiting van een jonge en kwetsbare vrouw.
De omstandigheid dat de rechtbank in de tussenbeslissing die gaat over de voorlopige hechtenis heeft overwogen dat het gaat om verdenking van uitbuiting van een jonge en kwetsbare vrouw, leidt de wrakingskamer niet tot het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is. Immers, het gaat hier om de verdenking en de daarop te baseren ernstige bezwaren en gronden voor voorlopige hechtenis. Op grond van de stand van de zaak en het dossier tot dat moment is de rechtbank tot het gegeven oordeel gekomen. Daarmee is nog geen voorschot op een eventuele bewezenverklaring genomen en evenmin kan gezegd worden dat een (volgende) zittingscombinatie die mogelijk over een herhaald schorsingsverzoek van de voorlopige hechtenis zou moeten oordelen, niet vrij zou zijn in de dan te maken afweging. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.
Dictum
De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn advocaat mr. S.P. Koerselman;
• de officier van justitie mr. N.Y. Rose;
• de rechters.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Kleijn, M. Kramer en E.A.W. Schippers, in tegenwoordigheid van de griffier S.J.W.M. Luijten en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2024. Bij ontstentenis van de voorzitter is deze beslissing ondertekend door de oudste rechter.
de griffier de oudste rechter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.