Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:1852
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
843 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3746
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser], eiser, v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.Z.A.M. Skanderova),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
1. De staatssecretaris heeft op 10 november 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 8 februari 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting zal worden behandeld.
Beoordeling
2. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit deze uitspraken volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 4 januari 2024) dat aan de uitspraak van 5 januari 2024 ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 4 januari 2024 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
6. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring, bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, op dit moment niet langer rechtmatig kan worden geacht.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van J. de Graaf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
RB Den Haag (zp Arnhem) 23 november 2023, zaaknummer NL23.35693 (niet gepubliceerd) en
RB Den Haag (zp Arnhem) 5 januari 2024, ECLI:NL:2024:206
HvJEU 8 november 2023, ECLI:EU:C:2022:858.