Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:18513
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
735 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42103
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 27 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 2 november 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2001.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Uit het dossier volgt dat verweerder al een schadevergoeding heeft aangeboden en ook de proceskosten tot een bedrag van € 875,- te vergoeden. Ter zitting heeft eiser verklaard het eens te zijn met de hoogte van deze (schade)vergoeding. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep daarom niet toe.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 11 november 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.