Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:18262
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,710 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9566
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 29 mei 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 februari 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, V. Imechete als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1973 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Verweerder geeft aan een homoseksuele gerichtheid te hebben. Na een relatie van 30 jaar is de partner van eiser om het leven gekomen door een auto-ongeluk. De familie van zijn overleden partner gaf eiser hiervan de schuld en onthulden de gerichtheid van eiser aan anderen, waardoor eiser heeft moeten onderduiken. Met behulp van een bekende in een vergelijkbare situatie, Joshua, is eiser in contact gekomen met Idris die hen beiden naar Europa zou helpen. Idris heeft de reis bekostigd om later terug te betalen als ze werk hadden gevonden. Tijdens een tussenstop in Frankrijk is gebleken dat Idris hen wilde gebruiken om drugs te vervoeren waarna eiser en Joshua zijn gevlucht naar Nederland. Eiser vreest bij terugkeer naar Nigeria voor de familie van zijn overleden partner, voor Idris en dat eiser wordt aangehouden door de politie of door de gemeenschap wordt gedood vanwege zijn seksuele gerichtheid.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft vier relevante elementen uit het asielrelaas herleid. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser worden geloofd. De seksuele gerichtheid, problemen vanwege de seksuele gerichtheid en de problemen vanwege mensenhandelaar Idris worden door verweerder ongeloofwaardig geacht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op werkinstructie (WI) 2019/17, de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid, relatie met zijn overleden partner en ervaring met zijn omgeving te algemeen en summier zijn en niet genoeg op het gevoel en de ervaring in gaan. Daarnaast bevat de verklaring van eiser over zijn ervaringen in Nederland voornamelijk slechts feitelijkheden waar meer gevoel zou worden verwacht, vooral nu eiser ook volgens zijn eigen verklaring vrijer en meer open kan zijn. Verder wordt de verklaring over Idris niet gevolgd, omdat eiser geen details over Idris zelf of zijn relatie met Joshua heeft kunnen geven en de intenties van Idris baseert op vermoedens. Nu het relaas van eiser ongeloofwaardig is geacht stelt verweerder dat eiser niet aangemerkt kan worden als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat gezien de combinatie van deels authentiek gevonden verklaringen en andere elementen die in positieve zin hebben meegewogen, de vergunning verleend had moeten worden. Eiser verwijt verweerder daarbij dat ten onrechte van eiser wordt verwacht dat hij kan verklaren over zijn innerlijke processen van bewustwording en zelfacceptatie. Verder ziet eiser het rapport van mr. S. Jansen als waardevol ondanks dat het niet direct op de situatie van eiser slaat. Eiser stelt ook dat uit het bestreden besluit niet blijkt op welke manier rekening gehouden is met de omstandigheden en referentiekader van eiser. Dat eiser blij is dat hij met anderen open kan praten over zijn seksuele gerichtheid hoeft niet te betekenen dat hij dat ook bij een voor hem onbekende tolk en hoorambtenaar kan doen. Gebleken is ook dat eiser zich schriftelijk beter kan uiten gezien de eerder ingebrachte persoonlijke brief. Bovendien was de relatie van eiser met zijn overleden partner zoals verklaard. Eiser ziet niet in wat verweerder hierover meer kan verwachten.
Wat vindt verweerder in beroep?
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepsgronden niet tot een ander oordeel leiden en de aanvraag terecht is afgewezen. Zo heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid gegeven om zijn authentieke verhaal te vertellen en heeft hem hiertoe uitgenodigd door aanvullende vragen te stellen. Juist ook omdat de seksuele gerichtheid van eiser ten grondslag ligt aan zijn asielrelaas mag van hem verwacht worden dat hij daar uitgebreid over kan verklaren. De relatie met eisers overleden partner is hier onderdeel van. Verder blijkt uit het beroep van eiser niet wat de toegevoegde waarde van het rapport van mr. Jansen is of hoe dit van toepassing is op de casus van eiser. Verweerder heeft daarbij niet aan hoeven te nemen dat eiser zich mondeling niet goed kan uitdrukken. Bovendien bieden de correcties en aanvullingen de gelegenheid om schriftelijke aanvullingen mee te geven waar deze diepgang wel uit blijkt. Dit is niet gebeurd en ook de persoonlijke brief van eiser geeft onvoldoende inzicht in het gevoel en de beleving van eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Uit het beroep blijkt dat eiser primair beroep indient tegen het ongeloofwaardig vinden van het relevante element seksuele gerichtheid. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat het beroep alleen hierop ziet nu dit volgens hem de grondslag van de aanvraag is geweest. De andere relevante elementen in het bestreden besluit worden daarom door de rechtbank niet verder besproken.
7. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder het relevante element van seksuele gerichtheid ongeloofwaardig kunnen vinden. WI 2019/17 schrijft voor dat verweerder bij een asielrelaas gebaseerd op de seksuele gerichtheid van de aanvrager, vragen stelt over het gevoel en de ervaring van de aanvrager aangaande verschillende gerelateerde onderwerpen. Verweerder heeft niet ten onrechte eiser tegengeworpen dat hij in het nader gehoor en het aanvullend gehoor geen goed inzicht kunnen geven in zijn proces van ontdekking en beleving, zijn gevoel over het leven met zijn seksuele gerichtheid in Nigeria en de reactie van zijn naaste omgeving. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte gesteld dat eiser alleen oppervlakkig heeft kunnen verklaren over wat hem zo aan zijn partner van 30 jaar aantrok of hem bijzonder maakte, wat ze zoal samen deden, hoe de relatie is ontstaan vanuit de vriendschap die ze hadden en hoe het was om hun relatie te moeten verbergen. Eiser betwist niet dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard maar voert aan dat hem het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Verweerder heeft hierover in zijn besluit en verweer aangegeven dat eiser niet aan de in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn genoemde voorwaarden voldoet. Zo heeft eiser in grote lijnen ongeloofwaardig verklaard. Er is geen sprake van twijfel van de kant van verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder gelet op het ongeloofwaardig geachte relaas eiser het voordeel van de twijfel had moeten geven.
8. De stelling van eiser dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader heeft verweerder ook niet hoeven volgen. Verweerder heeft in zijn besluit en zijn verweerschrift voldoende onderbouwd waar rekening mee is gehouden. Bijvoorbeeld met het gegeven dat eiser geen eerdere ervaring had met internet en zodoende zich pas in Nederland is gaan verdiepen in de maatschappelijke status van LHBTI-personen hier. Ook ter zitting heeft eiser niet concreet kunnen maken waar gelet op zijn referentiekader ten onrechte geen rekening mee is gehouden door verweerder. Van het rapport van mr. Jansen is eveneens niet concreet gebleken welke onderdelen hiervan indicatief zijn voor de situatie van eiser en in de beoordeling meegenomen hadden moeten worden.
9. Voor zover eiser heeft willen stellen dat hij niet in staat kon worden geacht om uitgebreider te verklaren tegenover een hoorambtenaar dan hij heeft gedaan, heeft verweerder dit niet hoeven volgen. Verweerder is hier in het besluit op meerdere punten op in gegaan. Eiser heeft hierover geen nieuwe punten aangedragen of de reactie van verweerder in het besluit gemotiveerd betwist. Verweerder merkt ook terecht op dat eiser bij de correcties en aanvullingen de mogelijkheid heeft gehad om gewenste aanvullingen te geven op de zijn verklaring.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser niet ten onrechte heeft afgewezen en het besluit in stand blijft.
11.1.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
P.J.J. Schaap, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 31, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000).
Verslag nader gehoor, pag. 24.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Trost of Schaamte? Het vervolg: de nieuwe werkinstructies en de beoordeling van LHBTI asielaanvragen in Nederland door mr. S. Jansen, van maart 2022.
Uitspraak van 2 februari 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2022:348.