Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:18205
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,727 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6740, 24/6741, 24/6744 en 24/6746
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
de leden van de Coöperatie Kottervisserij Nederland U.A. (VisNed), gevestigd in Urk,
de leden van de Coöperatieve Productenorganisatie en Beheersgroep Noordelijke Visserij Alliantie U.A. (NVA), gevestigd in Den Oever,
de leden van de Coöperatieve Producentenorganisatie Nederlandse Vissersbond U.A., gevestigd in Urk,
de leden van de Coöperatieve Redersvereniging voor de Zeevisserij U.A. (RvZ), statutair gevestigd in Den Haag, verzoekers
(gemachtigden: mr. J. Jetten en mr. K. Boele),
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers ten aanzien van het besluit tot openbaarmaking van informatie over de verdeling van visquota en contingenten op 1 januari 2021, 1 juni 2021, 1 januari 2022, 1 mei 2022 en 23 juli 2022, op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Met het bestreden besluit van 31 juli 2024 heeft verweerder op verzoek van de Woo-verzoeker besloten de gegevens (gedeeltelijk) openbaar te maken. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekers en de gemachtigde van verweerder. Van de leden zijn verschenen: G. Meun en W. Visser.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 31 juli 2024 wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Beoordeling
1.4.
De beantwoording van de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van de stukken vraagt, mede gelet op de door verzoekers en verweerder aangevoerde inhoudelijke standpunten, een meer indringende beoordeling. De procedure van de voorlopige voorziening leent zich daar niet voor. Partijen zijn onder meer verdeeld over omvang van de weigeringsgrond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo. Primair over de vraag of deze grond een absolute weigering met zich brengt en subsidiair in hoeverre de gegevens herleidbaar zijn. Partijen kunnen deze discussie nader uitwerken in de bezwaarfase en tijdens een hoorzitting nader bespreken. Verzoekers hebben ook aangevoerd dat zij de herleidbaarheid van de gegevens tijdens een hoorzitting verder willen toelichten.
1.5.
De voorzieningenrechter beoordeelt in dit geval het verzoek daarom alleen aan de hand van een belangenafweging. Daarbij wordt beoordeeld of het belang van verzoekers bij schorsing van het bestreden besluit zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering daarvan.
1.6.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen als volgt. Verzoekers hebben bezwaar tegen de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de informatie, onder meer omdat deze gegevens volgens verzoekers zien op bijzonder concurrentiegevoelige informatie over de leden. Het openbaar maken van de gegevens die zien op contingenten treft verzoekers direct in hun bedrijfsvoering. Als de documenten vooruitlopend op een beslissing op bezwaar al openbaar worden gemaakt, dan is de bezwaarprocedure feitelijk zinloos geworden. De openbaarmaking van de documenten is immers onomkeerbaar. Daarmee hebben verzoekers een evident en zwaarwegend belang. Verweerder heeft geen bijzondere belangen naar voren gebracht bij onmiddellijke uitvoering van het besluit tot openbaarmaking. Hij heeft bovendien te kennen gegeven zich in feite niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekers zwaarder moet wegen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter tevens mee dat op korte termijn de beslissing op bezwaar zal worden genomen.
Conclusie
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 31 juli 2024 wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
2.1.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Omdat sprake is van vier samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb, waarin namens verzoekers één verzoekschrift is ingediend en waarbij de zaken gevoegd op zitting zijn behandeld, bedraagt de vergoeding € 2.625,- voor de verzoekers tezamen. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op: 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting; met een wegingsfactor 1,5 en met een waarde per punt van € 875,00. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
2.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder het griffierecht (één keer geheven) aan verzoekers vergoeden.
2.3.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.625,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan verzoekers moet vergoeden.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2024 door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
“Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld”.
Onderdeel C2 van de Bijlage bij het Bpb.