Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:18178
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,041 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19076
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de door hem ingediende aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor zijn ouders en broertje.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 7 september 2023. Verweerder moet op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen beslissen. Onder verwijzing naar de laatste volzin van dit artikellid heeft verweerder de beslistermijn verlengd met drie maanden. Verweerder had dus uiterlijk op 6 maart 2024 een besluit moeten nemen. De termijn waarbinnen verweerder had moeten beslissen is daarom voorbij zonder dat er een besluit is genomen. Eiser heeft verweerder rechtsgeldig in gebreke gesteld op 18 april 2024, zijnde de datum van ontvangst van de ingebrekestelling. Op 1 mei 2024 is het beroep ingesteld. Er zijn tussen de ingebrekestelling en het beroep echter geen twee weken verstreken, zodat het beroep te vroeg is ingediend. Het beroep is om die reden kennelijk niet-ontvankelijk.
3. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook als zou moeten worden uitgegaan van 17 april 2024 waarop de ingebrekestelling door verweerder is ontvangen, zoals verweerder in zijn verweerschrift en in afwijking van de eerder verstuurde ontvangstbevestiging heeft opgemerkt, sindsdien nog geen twee weken waren verstreken. Bij brief van 16 mei 2024 is namens eiser het standpunt ingenomen dat de ingebrekestelling op 12 april 2024 per post is verzonden, tijdig is ingediend en dat het ongeloofwaardig is dat deze pas op 17 of 18 april 2024 door verweerder is ontvangen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De ingebrekestelling is weliswaar gedateerd op 12 april 2024, maar hieruit volgt nog niet dat deze ook op die datum is verzonden of eerder dan op 17 april 2024 door verweerder is ontvangen. Er is daarnaast geen termijn waarbinnen de ingebrekestelling moet zijn ontvangen, maar relevant is of na ontvangst twee weken zijn verstreken. Nu de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten heeft voor een ander oordeel gaat zij uit van de ontvangstdatum zoals genoemd in rechtsoverweging 2.
4. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.