Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:18126
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,613 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.34603
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: H.J. Metselaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 3 september 2024 om de aanvraag van eiser tot het verlenen van een asielvergunning niet in behandeling te nemen. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024, tezamen met de voorlopige voorziening met zaaknummer NL24.34604, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Matti als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van de minister om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standaardvoornemen
4. Eiser voert aan dat het gebruik van een standaardvoornemen ervoor heeft gezorgd dat hij in de zienswijze niet goed heeft kunnen reageren op de argumenten van de minister om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit getuigt van een onzorgvuldige voorbereiding en motivering van het bestreden besluit en is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook is in dit in strijd met de op grond van artikel 4 van de Dublinverordening verstrekte brochure omdat daarin staat dat de redenen voor de afwijzing in het voornemen vermeld staan. Eiser verwijst ook naar de uitspraken
van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 december 20231 en zittingsplaats Amsterdam van 28 augustus 20242. Ter zitting heeft eiser verder gewezen op de lijn van de rechtbank Amsterdam in verschillende uitspraken op dit punt en artikel 3.109 C Vreemdelingenbesluit (Vb).
5. Het bestreden besluit kan daarom volgens eiser niet in stand blijven. Dit te meer nu voornoemde onzorgvuldige voorbereiding volgens eiser gelijk gesteld moet worden aan het niet voeren van een gehoor, hetgeen in strijd is met artikel 30, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) en artikel 5, tweede lid, van de Dublinverordening, zoals is uitgelegd in het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023,3 en moet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
6. De rechtbank overweegt dat het voornemen een voorbereidingshandeling is, een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg.4 Ook als de specifieke verklaringen van eiser niet allen kenbaar zijn betrokken in het voornemen, heeft eiser door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen. De minister moet vervolgens alles wat in het aanmeldgehoor en de zienswijze naar voren is gebracht betrekken bij het bestreden besluit. Het enkele feit dat niet alle verklaringen van eiser tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij het voornemen kan op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Wanneer in het voornemen voldoende duidelijk uiteen is gezet op grond van welke redenen (in dit geval) Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, waarom er geen reden is om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de aanvraag aan zich te trekken en wanneer alle voor het standpunt dragende overwegingen zijn opgenomen, is dit voldoende.5
7. De rechtbank wijst er verder op dat in artikel 39 van de Vw en paragraaf C1/2.12 van de Vc6 slechts staat dat het voornemen onder opgave van redenen moet zijn. Ook in de brochure die aan eiser is verstrekt, op grond van artikel 4 van de Dublinverordening, staat alleen dat de redenen voor afwijzing vermeld moeten worden.
8. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het voornemen ten aanzien van eiser hieraan nu daarin, zoals de minister ter zitting heeft toegelicht, is ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag geleid. Daarbij komt dat in het voornemen is verwezen naar de verklaringen van eiser en dat die verklaringen niet leiden tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen.
9. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het voornemen in strijd te achten met een bepaling in de Awb of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Artikel 3:46 Awb ziet verder op besluiten en niet op voornemens.
10. De rechtbank is gezien bovenstaande van oordeel dat er geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Aan de stelling met betrekking tot de
1ECLI:NL:RBDHA:2023:19122
2 ECLI:NL:RBDHA:2024:8597
3 ECLI:EU:C:2023:9340
4 ECLI:NL:RBDHA:2024:1846
5 ECLI:NL:RBNHO:2023:7386; ECLI:NL:RVS:2023:4348; ECLI:NL:RBDHA:2024:9792
6 Vreemdelingencirculaire 2000
uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 20237 komt de rechtbank niet toe. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel en indirect refoulement
11. De rechtbank begrijpt gezien hetgeen ter zitting is besproken dat eiser stelt, dat ondanks het feit dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 juni 20248 blijkt dat er in de Dublinprocedure in beginsel geen ruimte is om te beoordelen of sprake is van schending van het verbod op indirect refoulement. Dat dit in zijn geval wel beoordeeld moet worden, omdat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk kan worden uitgegaan. De rechtsbescherming in Oostenrijk schiet volgens eiser te kort waardoor er sprake is van een systeemfout.
11. Eiser voert daartoe aan dat er in 2019 in Oostenrijk een nieuwe wet is aangenomen die de toegang tot rechtsbijstand aanzienlijk heeft ingeperkt. Eiser verwijst naar informatie van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) waaruit blijkt dat rechtsbijstand onder deze nieuwe wet alleen wordt verleend als hiertoe 'available possibilities' zijn, en dat er dus geen recht op rechtsbijstand is, tenzij sprake is van specifieke gevallen zoals die zijn opgenomen in de Oostenrijkse Asylum Act. Het gaat dan bijvoorbeeld om een niet begeleide-minderjarige. Organisaties waarschuwen voor een ‘risk of arbitrary acces to free legal assistance’. Dit wordt onderstreept door het AIDA-rapport update 2023, waaruit blijkt dat het gecentraliseerde rechtsbijstand stelsel “fragile” is vanuit mensenrechtelijk perspectief. Een en ander wordt volgens eiser ook onderstreept door het feit dat in december 2023 het Constitutioneel Hof van Oostenrijk heeft geoordeeld dat het rechtsbijstand systeem ongrondwettelijk is. Daarbij komt dat hulp en gratis rechtsbijstand van NGO’s in Oostenrijk summier is.
11. Eisers wijst er verder op dat zijn asielaanvraag in Oostenrijk is afgewezen en dat zijn zaak daarom als weinig kansrijk zal worden bestempeld en hij waarschijnlijk geen rechtsbijstand zal verkrijgen. Hij wijst er ook op dat bij de toekenning van rechtsbijstand er geen sprake is van een eerlijke beoordeling, de beoordeling mogelijk strijdig is met de Procedurerichtlijn en dat de asielprocedure in Oostenrijk te lang duurt. Volgens eiser zorgt dit alles ervoor dat hij niet voor rechtsbijstand in aanmerking zal komen en is er in zijn geval sprake van een reëel risico op indirect refoulement.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 20239 en het arrest van de Afdeling van 12 juni 202410 volgt inderdaad dat in een Dublinprocedure in beginsel geen ruimte is voor de beoordeling van de vraag of er een risico bestaat dat sprake zal zijn van schending van het verbod van indirect refoulement. Dat is alleen anders indien ten aanzien van de betrokken lidstaat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
11. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling dit voor Oostenrijk nog bevestigd in de uitspraak van 3 mei 2023.11 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft
7ECLI:EU:C:2023:9340
8 ECLI:NL:RVS:2024:2359
9 ECLI:EU:C:2023:934
10 ECLI:NL:RVS:2024:2359
11 ECLI:NL:RVS:2023:1695
gemaakt dat dit anders is.
Dictum
12ECLI:NL:RBROT:2024:3806
13 ECLI:NL:RVS:2023:1503
14 ECLI:NL:RBROT:2024:3806 r.o. 7.3
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 oktober 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.