Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:18045
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,132 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41082
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Feiten
Eiser heeft op 24 juni 2023 een asielaanvraag ingediend, deze aanvraag is op 10 januari 2024 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Eiser is op 24 november 2023 en op 7 juni 2024 met onbekende bestemming vertrokken waardoor de overdrachtstermijn is verlengd naar achttien maanden.
Overwegingen
Is de uiterste overdrachtstermijn terecht verlengd?
2. Eiser heeft op zitting aangevoerd dat de maatregel onrechtmatig zou zijn omdat eiser niet op 24 november 2023 met onbekende bestemming is vertrokken en er hierdoor geen sprake is van een verlenging van de uiterste overdrachtsdatum. Naar de rechtbank begrijpt betoogt hij dat de overdrachtstermijn om die reden al op 6 mei 2024 is verstreken en eiser nadien niet meer kon worden overgedragen naar Frankrijk. Hij kan nu dan ook niet op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring worden genomen.
2.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde ‘BVV Procesverwijzingen’ blijkt dat eiser wel op 24 november 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Hierdoor kon de uiterste overdrachtsdatum worden verlengd naar achttien maanden en kan artikel 59a van de Vw 2000 nog steeds worden toegepast.
Had er een lichter middel moeten worden toegepast?
3. Eiser voert aan dat hij betwijfelt of hij wel langer in bewaring kan verblijven vanwege zijn psychische gezondheid. Hij wijst er in dat verband op dat een geplande overdracht op 31 oktober 2024 is geannuleerd vanwege medische omstandigheden.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister is op de hoogte van de psychische problematiek van eiser en heeft toegelicht dat de geplande overdracht van 31 oktober 2024 is geannuleerd omdat Frankrijk op de hoogte moest worden gesteld van eisers psychische gezondheid en er medische escorts moesten worden geregeld voor de vlucht. Hoewel de rechtbank niet ontkent dat eiser last heeft van psychische problematiek, zijn er – op dit moment – geen omstandigheden aangevoerd waardoor de maatregel van bewaring niet langer kan voortduren. De minister heeft daarbij in de maatregel en op de zitting terecht meegewogen dat de gezondheidszorg in detentie gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg daarbuiten en dat ook gespecialiseerde zorg in detentie aanwezig is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent eiser geen gelijk krijgt en de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid vanS. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.