Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:17944
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,117 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32348
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Vreijssen).
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Ghanese nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 14 juni 2024 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Volgens verweerder zijn de autoriteiten van Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat eiser op 24 mei 2022 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op 11 juli 2024 een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Op 25 juli 2024 hebben de autoriteiten van Frankrijk dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet voldoende gemotiveerd tot stand is gekomen. Het bestreden besluit omvat enkel algemene overwegingen en verweerder is niet ingegaan op de door eiser aangevoerde bijzondere individuele omstandigheden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag en dat ten aanzien van Frankrijk in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan In geschil is of verweerder het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Verweerder heeft in voornemen voldoende gemotiveerd dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft daarom geen reden hoeven zien om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen. De rechtbank stelt vast dat eiser naar aanleiding van het voornemen geen zienswijze heeft ingediend. Verweerder kon in het bestreden besluit derhalve volstaan met een verwijzing naar het voornemen. In het gehoor heeft eiser verklaard dat hij niet terug wenst te gaan naar Frankrijk omdat hij dan zijn asielprocedure in Frankrijk opnieuw moet starten omdat hij daar eerder met onjuiste gegevens asiel heeft aangevraagd. Verweerder heeft dat niet als bijzondere omstandigheid hoeven aanmerken welke zich verzet tegen terugkeer naar Frankrijk. De rechtbank is verder niet gebleken van andere bijzondere persoonlijke omstandigheden.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (Eu) nr. 604/2013.
Uit onder meer een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348) volgt dat dat voldoende is voor het voornemen.