Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:17880
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,469 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33396
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 10 oktober 2021 een asielaanvraag gedaan. Bij brief van 1 november 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 17 november 2022 (NL22.23501) beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Bij uitspraak van 29 september 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep gegrond verklaard en daarbij een beslistermijn van zestien weken opgelegd.
Op 26 augustus 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank doet grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:673), volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Uit voornoemde uitspraak volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.
3. In de uitspraak van 29 september 2023 heeft de rechtbank aan verweerder een concrete beslistermijn van zestien weken gegeven, waarbinnen het besluit op de asielaanvraag bekend moet worden gemaakt. Verweerder heeft hieraan niet voldaan. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
4. Zoals hiervoor onder overweging 3 is vastgesteld, heeft verweerder niet binnen de eerder door de rechtbank gegeven termijn beslist. Verder zijn wederom meerdere maanden verstreken en heeft verweerder nog geen besluit op de aanvraag van eiser bekend gemaakt. Daarnaast is de maximale beslistermijn van 21 maanden sinds indiening van de asielaanvraag ruimschoots overschreden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder nu een besluit bekend dient te maken.
5. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn van twee weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom in overeenstemming met het daarvoor geldende landelijke beleid vast op € 200 per dag, met een maximum van € 15.000. De hogere dwangsom is gerechtvaardigd door het gegeven dat verweerder niet tijdig gevolg heeft gegeven aan een opdracht van de rechtbank.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2024 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.
Zoals bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de richtlijn 2013/32/EU.
Beleid ten aanzien van de beroepen niet tijdig in het vreemdelingenrecht, vastgesteld op 20 maart 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl).