Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:17758
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,111 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41021
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 24 oktober 2024 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 28 oktober 2024 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek op 29 oktober 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1994 en heeft de Litouwse nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware gronden 3c en 3i die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de zware gronden en lichte gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Zware grond 3b is feitelijk juist, nu eiser zich niet heeft gemeld bij de korpschef. Zware grond 3c is ook feitelijk juist, omdat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Daarbij komt dat eiser zijn gestelde verblijf in België niet heeft aangetoond. Tot slot is zware grond 3i feitelijk juist. Eiser heeft namelijk in zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij niet terug wil naar Litouwen. Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist omdat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Deze lichte gronden worden door eiser ook niet betwist. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat eiser zich hierdoor aan het toezicht onttrekt. Deze zware en lichte gronden kunnen, in samenhang bezien en gelet op de gegeven toelichting, de maatregel van bewaring dragen, omdat daaruit het risico voortvloeit dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Zie het arrest FS van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.