Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:17754
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
828 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40680
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Met het besluit van 2 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf voor het doel “Verblijf als familie- of gezinslid” afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij wordt behandeld als ware zij in bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak, omdat zonder een mondelinge behandeling op het verzoek kan worden beslist.
Beoordeling
1. Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het verzoek geen voorlopig karakter heeft, voor zover de toewijzing daarvan tot onomkeerbaar gevolg heeft dat verzoekster toegang zou moeten worden verleend tot Nederland. Toewijzing van het verzoek ligt alleen al daarom niet in de rede.
3. Verweerder heeft verder onbestreden overwogen dat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, omdat zij geen inburgeringsexamen heeft afgelegd. Dit levert in beginsel een grond op voor weigering van een mvv. De omstandigheid dat verzoekster tussen 1984 en 1993 in Nederland zou hebben verbleven, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen grond om verzoekster vrijgesteld te achten van het inburgeringsvereiste. Voor zover verzoekster stelt dat zij om gezondheidsredenen niet in staat is om te voldoen aan het inburgeringsvereiste en dat haar gezondheid en die van haar echtgenoot vereisen dat zij in elkaars aanwezigheid verkeren, geldt dat verweerder onbestreden heeft overwogen dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor verzoekster om het gezinsleven met haar Nederlandse echtgenoot in Thailand uit te oefenen. Het ligt dan in de verwachting dat het bezwaar ongegrond zal worden verklaard.
4. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2024 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.