Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:17615
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
955 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19708
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Overwegingen
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het verzoek om de minister te veroordelen in de vergoeding van verzoekers proceskosten. Het verzoek is ingediend nadat verzoeker zijn opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingetrokken. De minister heeft op 5 september 2024 op de aanvraag van verzoeker beslist.
2. Omdat het verzoek als kennelijk ongegrond wordt afgewezen, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Verzoeker heeft eerder, op 25 september 2023, beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag van 14 mei 2022 (NL23.30402). Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 10 januari 2024 dat beroep gegrond verklaard en een beslistermijn van zestien weken opgelegd. Wanneer de minister hier niet aan voldeed verbeurde hij een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 7.500,-.
5. De rechtbank overweegt dat volgens het landelijk beleid van 25 maart 2020 een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk wordt verklaard, als het is ingesteld voordat de maximale dwangsom is volgelopen. Verzoeker heeft onderhavig opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen ingediend op 7 mei 2024. Op dat moment was de maximale dwangsom nog niet volgelopen.
Conclusie
6. Nu er geen sprake zou zijn geweest van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank met de beslissing van de minister van 5 september 2024 geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/beleidslijn-beroepen-niet-tijdig-vr.pdf.