Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:17566
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,025 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30269
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Gemachtigde van eiser en eiser zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Als eiser geen procesbelang heeft, dan beoordeelt de rechtbank het beroep niet inhoudelijk.
3. Uit vaste rechtspraak volgt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt en niet aan verweerder laat weten waar hij verblijft, ervan wordt uitgegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Als een vreemdeling nog wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde laat hij daarmee blijken nog wel prijs te stellen op bescherming in Nederland en heeft hij een belang bij zijn beroep. De gemachtigde moet weten waar in Nederland de vreemdeling verblijft en hij moet contact hebben met de vreemdeling over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. Verweerder heeft op 14 oktober 2024 de rechtbank bericht dat eiser op 9 augustus 2024 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang. Verweerder heeft daarbij een schermafdruk overgelegd uit zijn interne systeem. Eiser heeft zich sindsdien niet meer gemeld. De gemachtigde van eiser heeft op 15 oktober 2024 telefonisch aan de griffier medegedeeld dat zij geen contact heeft met eiser.
5. De gemachtigde van eiser weet dus niet waar eiser zich bevindt en heeft geen contact meer met hem over de voortgang van de procedure. Dit betekent dat eiser niet heeft laten blijken dat hij nog prijs stelt op de door hem verzochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2024 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt doormiddel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Volgt uit de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.