Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:17536
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,969 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33042
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
de minister van Asiel en Migratie, (voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid), de minister,
(gemachtigde: mr. M. Verzijden)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (het bestreden besluit). Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 augustus 2024 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL24.33043. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 26 april 2024 aan Oostenrijk een verzoek om overname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek op 8 mei 2024 op grond van artikel 18, eerste lid onder d van de Dublinverordening aanvaard.
Is het bestreden besluit bevoegd genomen?
5. Eiser voert allereerst aan dat de beslissing is genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Er is maar één staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en zij is niet bevoegd beslissingen te nemen in asielzaken. De beslissing is derhalve onbevoegd genomen.
5.1.
Ten aanzien van de ondertekening van het bestreden besluit constateert de rechtbank dat deze ten onrechte is gedaan uit naam van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 februari 2007, van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het besluit is ondertekend door L. Buiskool en ter zitting heeft de minister onweersproken gesteld dat L. Buiskool werkzaam is als beslisambtenaar en in die hoedanigheid bevoegd is het besluit namens de minister te ondertekenen. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad. Omdat sprake is van een gebrek en de rechtbank artikel 6:22 van de Awb toepast, ziet de rechtbank conform vaste jurisprudentie van de Afdeling aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd?
Standpunten eiser
6. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Bij een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening is de minister, volgens paragaaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), gehouden onder meer te kijken of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft de minister gevraagd in zijn geval van deze bevoegdheid gebruik te maken. Eiser wijst er nog op dat het hier een andere toets betreft dan die aan artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 12 juli 2024. De minister heeft echter in het voornemen geen enkele opmerking gemaakt over de individuele omstandigheden van eiser. Nadat eiser hier in zijn zienswijze over heeft geklaagd, is vervolgens in het besluit aangegeven dat dit ook niet hoeft en dat het voldoende is als in het voornemen wordt aangegeven welk land verantwoordelijk is. Dit is in strijd met de bedoeling van de voornemenprocedure.
6.1.
Volgens eiser heeft ook in het besluit zelf de hierboven bedoelde individuele toets niet plaatsgevonden. De toets aan artikel 17 van de Dublinverordening blijft in het besluit namelijk beperkt tot de vraag of er aanwijzingen zijn dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
6.2.
Eiser betoogt verder dat Oostenrijk zijn asielaanvraag heeft afgewezen, vanwege een ernstige schending van de mensenrechten van zijn vrouw en wegens seksueel misbruik en uitbuiting van zijn vrouw, omdat eiser in Syrië met haar is getrouwd toen zij nog minderjarig was. Dit is echter de vrouw met wie hij gelukkig getrouwd is en die zit te wachten tot zij zich met hun kinderen bij eiser kan voegen in een veilig land. Het is kwetsend voor eiser dat Oostenrijk zijn huwelijk zo heeft beoordeeld en hij heeft daarom ook geen enkel vertrouwen in een eerlijke procedure in dat land, eiser voelt zich gecriminaliseerd. De discussie over het kindhuwelijk en over het verantwoordelijke land zorgen ervoor dat zijn vrouw en kinderen nog veel langer in Turkije moeten blijven en dat zij bij overdracht van eiser aan Oostenrijk vermoedelijk helemaal niet meer naar Europa kunnen komen, omdat het risico groot is dat eiser in Oostenrijk weer wordt afgewezen. Regels over kindhuwelijken die bedoeld zijn om vrouwen en kinderen te beschermen, hebben dan tot gevolg dat de belangen van de kinderen ernstig worden geschaad. De minister kan daar anders over denken, maar had dit wel moeten beoordelen en meewegen in de toets aan artikel 17 van de Dublinverordening, zowel in het voornemen als in het besluit, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser, evenals in de zienswijze, nog gewezen op de brief van de minister voor rechtsbescherming van 22 maart 2022 over te nemen maatregelen tegen kindhuwelijken. Daarin is ondermeer te lezen dat kindhuwelijken erkend kunnen worden als beide partners daarom vragen nadat zij meerderjarig zijn geworden. Verder is in het besluit niet meegenomen dat eiser na de afwijzing in Oostenrijk niet meer naar school mocht en niet meer mocht werken.
Oordeel rechtbank
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het voornemen onvoldoende is gemotiveerd. Ten aanzien van het voornemen overweegt de rechtbank, dat dit een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet gericht is op enig rechtsgevolg. Ook als de verklaringen van eiser niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen, heeft eiser door middel van het indienen van de zienswijze, de gelegenheid om te reageren op het voornemen. De minister moet vervolgens alles wat in het aanmeldgehoor en de zienswijze naar voren is gebracht, betrekken bij het bestreden besluit. Dat niet alle verklaringen van eiser tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij het voornemen, kan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
7.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Niet in geschil is dat de Oostenrijkse autoriteiten middels het claimakkoord van 8 mei 2024 hebben gegarandeerd dat het verzoek om internationale bescherming in behandeling wordt genomen. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening mag de minister een asielaanvraag ook onverplicht in behandeling nemen als hij niet verantwoordelijk is. De minister mag zelf bepalen wanneer hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. De rechtbank moet daarom op dit onderdeel terughoudend toetsen. Uit het beleid van de minister, paragraaf C2/5 van de Vc, volgt dat door de minister van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming zijn verplichtingen niet nakomt en in geval bijzondere, individuele omstandigheden maken dat overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid zou getuigen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gemotiveerd, dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, aan zich te houden en zelf in behandeling te nemen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk.
8.1.
Vanwege het onder 5.1. geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 875,- per punt en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.
Uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348, onlangs bevestigd op 5 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3158.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Hiermee wordt bedoeld het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), onder overwegingen 91-93.