Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:17375
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,699 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37412 en AWB24/15025
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum]
van onbekende nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2024 heeft het COa besloten om eiser op grond van artikel 10, eerste lid aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 te plaatsen in een Handhavings- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen (hierna: het plaatsingsbesluit).
Bij besluit van 2 september 2024 heeft de minister aan eiser de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel).
Eiser heeft tegen de besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit staat geregistreerd onder het zaaknummer AWB 24/15025. Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel staat geregistreerd onder het zaaknummer NL24.37412.
Het COa heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 oktober 2024 gevoegd op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. In het plaatsingsbesluit heeft het COa besloten om eiser met ingang van 2 september 2024 in de HTL te Hoogeveen te plaatsen. Door het COa is geconstateerd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die zijn te kwalificeren als gedragingen met een zeer grote impact.
1.1.
Op 1 september 2024 heeft er een incident plaatsgevonden waarbij eiser een medebewoner fysiek heeft aangevallen en daarbij steekbewegingen heeft gemaakt. Het gedrag van eiser vereiste een directe interventie van medebewoners en COa-medewerkers. Het slachtoffer heeft een schram van ca. 25 à 30 centimeter ter hoogte van zijn linker rib aan het incident overgehouden. Pas later is duidelijk geworden dat het lemmet een mes was en is daarom later aangemerkt als mes-aanval. Dit incident wordt door het COa aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Het gaat om een HTL-maatregel zonder eerdere incidenten.
2. Middels de vrijheidsbeperkende maatregel heeft de minister een maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw 2000 aan eiser opgelegd en hem verplicht om zich met ingang van 2 september 2024 in een deel van de gemeente Hoogeveen, te weten binnen de op de bijgevoegde plattegrond aangegeven gebieden, op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en heeft ter motivering van dit besluit verwezen naar het plaatsingsbesluit, waarin de incidenten die zich hebben voorgedaan zijn toegelicht. De minister is niet gebleken van omstandigheden om af te zien van het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel.
Onvolledig dossier en GZA-akkoord
3. Eiser stelt zich op het standpunt geen volledig dossier te hebben ontvangen en dat reeds hierom sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Bovendien merkt eiser op dat het GZA-akkoord ontbreekt in het dossier en dat het COa nader onderzoek had moeten doen naar de psychische gesteldheid van eiseres. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 december 2013.
3.1.
De rechtbank overweegt dat, indien eiser van mening was een onvolledig dossier te hebben ontvangen, het op zijn weg had gelegen om de rechtbank te verzoeken om toezending van eventuele ontbrekende stukken. De rechtbank stelt vast dat eiser dit niet heeft gedaan. Eiser heeft bovendien niet toegelicht welke stukken er dan zouden ontbreken of hoe hij door het ontbreken van die stukken in zijn belangen is geschaad. De grond kan dan ook niet leiden tot onrechtmatigheid van de bestreden besluiten.
3.2.
De rechtbank stelt voorts vast dat er wel degelijk een GZA-akkoord in het dossier zit. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser bijzondere medische problemen ervaart is de rechtbank van oordeel dat daarmee voldoende rekening is gehouden met de medische gesteldheid van eiser.
Lichter middel
4. Voorts betoogt eiser dat het COa onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom er in het onderhavige geval niet is gekozen voor een lichter middel. De standaard overweging dat ‘de in dit gesprek door u gegeven zienswijze naar aanleiding van het voornemen u een maatregel op te leggen, […] het COa geen aanleiding [geeft] tot het innemen van een ander standpunt’ is onvoldoende. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats.
4.1.
De rechtbank is van oordeel, dat maatregel uitgebreid en afdoende is gemotiveerd. Duidelijk beschreven is wat er heeft plaatsgevonden en welke impact dit heeft gehad binnen het azc. Het COa heeft terecht overwogen dat er geen aanleiding was voor een lagere maatregel. Het COa heeft ook overtuigend gesteld, dat de veiligheid en leefbaarheid op het azc als gevolg van het gedrag van eiser dusdanig in geding zijn gekomen, dat HTL-plaatsing de enige gepaste maatregel is. Dit, om zowel de rust op het azc terug te laten keren, als om eiser een gepaste omgeving te bieden waar hij de juiste begeleiding krijgt en aan zijn gedrag kan werken.
4.2.
Het COa heeft daarbij voldoende gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van eiser. Voorafgaand aan de HTL-plaatsing is overlegd met het GZA en het COa heeft bij zijn overwegingen betrokken dat dit het eerste geregistreerde incident van eiser is. Nu eiser geen omstandigheden heeft genoemd, die zouden moeten leiden tot het opleggen van een lichter middel, moet dit voldoende worden geacht.
Onbevoegd geweld en schending van artikel 8 EVRM.
5. Eiser stelt zich voorts op het niet onderbouwde standpunt – de verwijzing naar een artikel is in dit kader onvoldoende - dat er binnen de HTL onbevoegd geweld wordt toegepast en dat daarom de HTL-plaatsing onrechtmatig is. Daarnaast stelt eiser dat zijn recht op privéleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt geschonden, gezien de verregaande mate van inbreuk op zijn vrijheid en privacy, waaronder het voortdurend cameratoezicht, een streng dagprogramma, ernstige mate van beperking van de fysieke vrijheid, verplichte gesprekken, het niet (onbeperkt) mogen ontvangen van bezoek en een meldplicht van twee keer per dag.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser gesteld noch gebleken is dat er bij zijn binnenkomst dwangmiddelen zijn toegepast door COa-medewerkers of boa’s. De rechtbank ziet zich derhalve niet genoodzaakt een oordeel te vellen over de mogelijke toepassing van dwangmiddelen door boa’s bij binnenkomst in de HTL en ziet hierin ook geen reden om de plaatsing in de HTL in het geval van eiser onrechtmatig te achten.
5.2.
Voorts overweegt de rechtbank dat zij reeds eerder geoordeeld heeft dat op basis van het Inspectierapport van 12 oktober 2022 en de beleidsreactie hierop van 13 oktober 2022, niet kan worden geconcludeerd dat de leefbaarheid en veiligheid in de HTL zodanig is dat de opvang die wordt geboden in strijd is met artikel 3 of artikel 8 van het EVRM. Op 16 februari 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak daaraan toegevoegd geen aanleiding te zien om hier, in het licht van het Inspectierapport van 27 maart 2023 en de hierop volgende beleidsreactie van 5 april 2023, anders over te oordelen. Alhoewel het mogelijk is dat plaatsing in specifieke gevallen onrechtmatig kan zijn, is dat in het onderhavige geval en bij gebrek aan onderbouwing zeker niet het geval. De rechtbank weegt daarbij ook nadrukkelijk de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mee. In de verwijzing naar een andersluidende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Conclusie
6. De beroepen zijn ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 24 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.
Dan wel diens ambtsvoorganger, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Rechtbank Den Haag, 27 december 20213, ECLI:NL:RBDHA:2023:20662.
Rechtbank Den Haag, 16 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7426.
Rechtbank Den Haag, 3 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1079.
De brief van de staatssecretaris betreffende de beleidsreactie op het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar de leefomstandigheden en de veiligheid op de HTL van 13 oktober 2022.
De brief van de staatssecretaris betreffende de beleidsreactie op het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar de leefomstandigheden en de veiligheid op de HTL van 5 april 2023.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3564,
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3565.
Rechtbank Den Haag, 19 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5603.