Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:17368
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,542 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38976
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).
Procesverloop
De minister heeft op 27 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 18 oktober 2024 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 september (in de zaak NL24.33206) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek, dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 13 september 2024.
Standpunten eiser
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het zicht op uitzetting ontbreek. Eiser zit bijna 8 maanden in bewaring, heeft zich coöperatief opgesteld en wil terugkeren naar zijn land van herkomst. Eiser hoopte reeds in augustus terug te vliegen, echter is dit om onbegrijpelijke redenen niet doorgegaan. Omdat niet aannemelijk is dat eiser op korte termijn uitgezet kan worden, moet geoordeeld worden dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt.
Oordeel rechtbank
4. Een inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw 2000 en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt.
4.1.
In het specifieke geval van eiser is reeds op 24 juli 2024 toegezegd dat een lp zou worden afgegeven, maar heeft de daadwerkelijke uitzetting op basis van dit document geen doorgang kunnen vinden. Daargelaten wat de reden hiervoor was, het niet kunnen plaatsvinden van de uitzetting betekent geenszins dat geen zicht op uitzetting meer kan worden aangenomen. Dat de minister ter zitting heeft toegelicht, dat op 24 oktober 2024 een nieuwe presentatie in persoon staat gepland, geeft namelijk aanleiding voor het oordeel dat de Algerijnse autoriteiten in het geval van eiser meewerken aan het verstrekken van een voor uitzetting benodigde lp. Hieruit volgt dan ook het zicht op uitzetting.
4.2.
Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich, dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. De rechtbank constateert dat eiser die medewerking niet verleent en nooit heeft verleend. In zoverre eiser meent dat de bewaring moet worden opgeheven, omdat de belangenafweging, gezien de duur van de inbewaringstelling, in zijn voordeel dient uit te vallen, overweegt de rechtbank dat, als eiser zijn inbewaringstelling had willen verkorten, hij dit had kunnen doen door zich meer coöperatief op te stellen. De duur van de bewaring geeft op dit moment dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze onevenredig lang voortduurt.
4.3.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft in die periode geappelleerd op de lp-aanvraag (op 2 oktober 2024) en een vertrekgesprek gevoerd met eiser (op 26 september 2024). Ook is er een nieuwe presentatie in persoon gepland op 24 oktober 2024. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend en concludeert dat de maatregel rechtmatig voortduurt.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en Rechtbank Den Haag, 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7807.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.