Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:17367
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,773 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/3585
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Bozia),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. I. Kayhan en mr. W. Louwerse).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2011.
1.1.
Verweerder heeft bij besluit van 5 februari 2021 het verzoek om compensatie toegewezen voor de jaren 2008 tot en met 2011. In het bestreden besluit van 3 mei 2022
is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft zich op 4 december 2019 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
3. Verweerder heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie en geconcludeerd dat eiseres recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2011.
Bij besluit van 5 februari 2021 heeft verweerder de compensatie voor die jaren definitief vastgesteld op een bedrag van € 113.276. Het compensatiebedrag bestaat uit € 32.107 aan door eiseres terugbetaalde kinderopvangtoeslag, € 27.617 aan materiële schade, € 3.877 aan door eiseres betaalde rente en kosten, € 10.000 aan immateriële schade en € 38.553 aan rente over de gemiste kinderopvangtoeslag. Ook heeft eiseres een aanvullende vergoeding van 1% van het totaalbedrag ontvangen van € 1.122.
4. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie, gegrond verklaard voor wat betreft de rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag, de vergoeding voor juridische hulp en de hoogte van de immateriële schadevergoeding en voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. De door eiseres betaalde rente en kosten zijn daarbij verhoogd tot een bedrag van € 3.915, de vergoeding voor juridische hulp is vastgesteld op een bedrag van
€ 7.590, de vergoeding voor de immateriële schade is verhoogd tot een bedrag van € 11.500, de rente over de gemiste kinderopvangtoeslag is verhoogd tot een bedrag van € 44.469 en de aanvullende vergoeding van 1% van het totaalbedrag is verhoogd tot een bedrag van
€ 1.272. Dit alles heeft geleid tot een herzien compensatiebedrag van € 128.470.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het compensatiebedrag. Zij wijst in dat verband op de zogeheten FSV-lijst, het door verweerder toegepaste loonbeslag en de toegepaste verrekeningen.
Wat vindt verweerder in beroep?
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het compensatiebedrag juist is berekend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank overweegt dat de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) onder meer een (deels forfaitaire) compensatie bevat voor de in artikel 2.2 van de Wht limitatief opgesomde schadeposten. De berekening van deze schadeposten is geregeld in artikel 2.3 van de Wht. Als een aanvrager van compensatie meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht. Dit is geregeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. De onderhavige procedure van eiseres heeft betrekking op het toekennen van een compensatie op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Deze artikelen bieden geen grond voor het oordeel dat het loonbeslag en de toegepaste verrekeningen betrokken moeten worden bij het bepalen van het compensatiebedrag. Dit betekent dat het loonbeslag en de toegepaste verrekeningen niet tot een hogere compensatie kunnen leiden. Hetzelfde geldt voor de mogelijke plaatsing van eiseres op de zogeheten FSV-lijst.
8. Voor zover eiseres stelt dat zij als gevolg van het loonbeslag, de toegepaste verrekeningen en de plaatsing op de FSV-lijst schade heeft geleden, overweegt de rechtbank dat zij daar in deze procedure geen oordeel over kan geven. Daarvoor zal eiseres zich moeten wenden tot de CWS met een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade.
9. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder het compensatiebedrag van € 128.470 heeft berekend overeenkomstig de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Naar het oordeel van de rechtbank is deze berekening voldoende onderbouwd en toegelicht. Ook heeft verweerder ter zitting een nadere toelichting gegeven op de berekening van de compensatie voor de jaren 2008 en 2009, welke toelichting de rechtbank kan volgen. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd geen concrete fouten aangevoerd die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van de compensatieberekening. Evenmin heeft eiseres stukken in het geding gebracht waaruit zou blijken dat het toegekende compensatiebedrag onjuist zou zijn vastgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het compensatiebedrag niet juist zou zijn vastgesteld. De enkele stelling van eiseres dat zij de in de berekening genoemde bedragen niet kan controleren, is daartoe onvoldoende.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
1 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.