Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:17305
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,763 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39831
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op
16 oktober 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 oktober 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 22 oktober 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Tunesische nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
- 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3. Verweerder heeft in het verweerschrift de zware grond 3e laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag ligt.
4. Eiser stelt dat de bewaring niet noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit, aangezien verweerder bekend is met deze gegevens uit zijn eerdere verblijfsrechtelijke procedure. Ook is er geen risico op onttrekking aan het toezicht. Hij heeft meteen zijn asielwens geuit, werkt voldoende mee aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit en heeft hij geen tegenstrijdige informatie verstrekt daarover.
5. Eiser heeft zijn gestelde persoonsgegevens niet onderbouwd door middel van identificerende documenten. Dat deze persoonsgegevens zijn aangehouden in een eerdere verblijfsrechtelijke procedure doet daar niet aan af. Uit het voornemen van 16 februari 2024 blijkt immers dat eiser deze gegevens zelf heeft opgegeven zonder verdere documentatie te overleggen. Het doel van inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid en onder a, van de Vw is dan ook om de personalia van eiser officieel vast te stellen. Daarbij gaat het om een vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser door de autoriteiten van het land waarvan de betrokken vreemdeling stelt de nationaliteit te bezitten, in dit geval Tunesië. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser op grond van artikel 59b, eerste lid en onder a, van de Vw in bewaring gesteld mocht worden.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware grond 3a terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet. Eiser was bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument, noch van een geldig visum. Zware grond 3a is dan ook feitelijk juist. Ook blijkt uit het dossier dat eiser op 12 maart 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. De zware grond 3b acht de rechtbank daarom eveneens feitelijk juist. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat relevant is dat hij in het gehoor heeft aangegeven kwetsbaar te zijn. Daarom had verweerder moeten volstaan met een lichter middel. Eiser stelt blijk te hebben gegeven daar volledige medewerking aan te verlenen. Hij wenst zijn asielaanvraag in vrijheid te kunnen indienen en te laten behandelen.
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. Van belang is daarbij dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. De enkele stelling van eiser dat hij kwetsbaar is onvoldoende om een lichter middel toe te passen. Niet is gebleken dat de bewaring voor hem onevenredig zwaar is.
Ambtshalve toets
9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 oktober 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.