Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:17186
Bestuursrecht; Belastingrecht
Wraking
2,140 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: [gemachtigde] ( [gemachtigde] Consultancy B.V.),
strekkende tot de wraking van
mr. M.E. Kiers,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het wrakingsverzoek is op 5 oktober 2024 ingediend. Het schriftelijke wrakingsverzoek is voorzien van meerdere bijlagen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met nummers SGR 23/5947, SGR 23/5949, SGR 23/5953, SGR 23/5955, SGR 23/5956, SGR 23/5958, SGR 23/5961 en SGR 23/5962 tussen verzoeker en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: de hoofdzaken).
2.2.
Het wrakingsverzoek luidt, voor zover van belang voor de beoordeling van het wrakingsverzoek, als volgt:
brief 5 oktober:
“Geachte Griffier, (WRAKINGSVERZOEK)
Inzake uw dossier(s) met het(de) nummer(s) 23/5947(ev.c.a./e.v.) bericht ik u hierdoor in ieder geval tijdig alsvolgt: ik voeg bij een print van mijn email d.d. heden welke als gewone brief per koerier vandaag nog bij u wordt bezorgd. Zie verder svp óók alle andere bijlagen bij dit epsitel.
Ik verzoek u de inhoud en strekking hiervan als hier herhaald én ingelast te beschouwen: gewraakt wordt
Mr. M. E. Kiers plus diens Griffier.
(…)
Verder ben ik normaliter [twaalf/12 uren] elke dag digitaal beschikbaar vanaf 08.40 uur tot 20.50 uur, óók op zaterdag én zondag, op elke donderdag na! Organiseert u svp asap digitaal een mondelinge behandeling
van het onderhavige wrakingsverzoek?
(…).”
e-mail 5 oktober 2024:
“(…)
Ik (s)tel enkele vragen waarop ik nog geen compleet antwoord mocht ontvangen.
Ik zie tal van opmerkingen waarop nog niet adequaat is gereageerd.
Vide met name de inhoud en strekking van mijn brief én alle bijbehorende bijlagen d.d. 9 september jl.!
Ik constateer dat de inhoud en strekking van de producties niet in de beraadslagingen uwerzijds tot op dit
moment is betrokken.
In essentie: waarom niet tijdig bewilligd in een digitaal via Teams uitgevoerde zitting?
(…).”
Beoordeling
Ten aanzien van de wraking van de rechter
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Naar de wrakingskamer uit het wrakingsverzoek begrijpt is verzoeker van mening dat de rechter vooringenomen is, omdat de rechter niet tijdig heeft bewilligd in het verzoek om de zittingen in de hoofdzaken digitaal te laten plaatsvinden. Verder is op vragen van de gemachtigde van verzoeker in zijn brief van 9 september 2024 nog geen compleet antwoord ontvangen en is op tal van opmerkingen nog niet adequaat gereageerd, aldus verzoeker.
3.3.
Een beslissing om een zitting al dan niet digitaal te laten plaatsvinden is een procedurele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.4.
De overige stellingen van verzoeker (het niet volledig antwoorden op de vragen van de gemachtigde van verzoeker en het niet adequaat reageren op tal van opmerkingen) zijn onvoldoende geconcretiseerd om een grond voor wraking van de rechter te kunnen zijn.
3.5.
Conclusie
Ten aanzien van de wraking van de griffier
3.6.
Uit artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen een individuele rechter die de hoofdzaak behandelt. Voor zover het wrakingsverzoek is gericht tegen de griffier is dus geen sprake van een wrakingsverzoek in de zin van de wet en verzoeker zal daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.
Wrakingsverbod
3.7.
Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat [gemachtigde] recent meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, die niet tot gegrondverklaring hebben geleid en buiten zitting zijn afgedaan (met kenmerken C/09/662473 / KG RK 24-331, C/09/662487 / KG RK 24-334, C/09/662693 / KG RK 24-348, C/09/662703 / KG RK 24-351, C/09/665588 / KG RK 24-623 en C/09/666209 / KG RK 24-709). Gezien deze wrakingsverzoeken die [gemachtigde] indient en de onderbouwing daarvan, concludeert de wrakingskamer dat hij het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan het frustreren van de voortgang van de procedures. Daarmee is sprake van misbruik. Gelet hierop ziet de wrakingskamer aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken dat wordt ingediend door [gemachtigde] als gemachtigde van verzoeker niet meer in behandeling genomen zal worden.
Buiten zitting
3.8.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af voor zover het zich richt tegen de rechter;
4.2.
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de griffier;
4.3.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.4.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek dat in de hoofdzaken door [gemachtigde] wordt ingediend niet in behandeling zal worden genomen;
4.5.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn gemachtigde [gemachtigde] ;
• de wederpartij in de hoofdzaken;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.