Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:17138
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,206 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39294
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Igdeli),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 14 oktober 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 14 oktober 2024 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 14 oktober 2024 een verweerschrift ingediend.
Op 17 oktober 2024 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Valideren digitale handtekening van de maatregel van bewaring
3. Eiser voert aan dat de handtekening van de maatregel van bewaring niet gevalideerd kan worden, en dat om die reden de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is. Verweerder heeft verder niet voldaan aan het verzoek van de rechtbank om een digitaal afschrift van de maatregel per e-mail aan de rechtbank toe te zenden.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Omdat gebleken is dat de handtekening onder de maatregel die verweerder in het digitale systeem van de rechtspraak heeft geplaatst niet kon worden gevalideerd, heeft de rechtbank verweerder op 10 oktober 2024 verzocht om vóór maandag 14 oktober 2024, 12:00 uur, een digitaal afschrift van de maatregel per e-mail toe te zenden. Verweerder heeft op 14 oktober 2024 om 13:37 uur aan dat verzoek gehoor gegeven. Ook deze handtekening onder de maatregel kon niet door de rechtbank gevalideerd worden. Desgevraagd heeft verweerder nogmaals een digitaal afschrift van de maatregel per e-mail toegezonden. Dit afschrift van de maatregel is door de rechtbank op 15 oktober 2024 per e-mail toegezonden aan de gemachtigde van eiser. De rechtbank heeft de handtekening onder de maatregel kunnen valideren. De rechtbank heeft zodoende de ondertekenaar geïdentificeerd, vastgesteld dat handtekening voldoet aan de in artikel 2:16 van de Awb gestelde vereisten en dat het document sinds de ondertekening ongewijzigd is gebleven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel om die reden onrechtmatig is. Overigens is niet gebleken of onderbouwd dat eiser de handtekening onder de maatregel van bewaring niet heeft kunnen valideren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel om die reden onrechtmatig is.
Maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Verweerder heeft zware grond 3e laten vallen.
7. Eiser betwist alle zware en lichte gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3m en lichte gronden 4c en 4d aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over een nationaal paspoort of ander document voor grensoverschrijding en een geldig visum. Eiser is dan ook niet op rechtmatige wijze Nederland binnengekomen. Deze grond is dan ook feitelijk juist. Dat eiser een asielzoeker is en dat asielzoekers in de regel niet op voorgeschreven wijze binnenkomen maakt dat niet anders. Verweerder heeft verder in lijn met rechtspraak van de Afdeling in de maatregel van bewaring niet slechts een feitelijke toelichting gegeven bij zware grond 3m, maar ook gemotiveerd waarom de bewaring in dit geval noodzakelijk is voor het realiseren van de in deze grond bedoelde overdracht. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de uiterste overdrachtstermijn ten tijde van het opleggen van de maatregel in de nabije toekomst lag aangezien deze termijn op 15 oktober 2024 verstreek. Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist omdat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat eiser zich hierdoor aan het toezicht onttrekt. Deze zware en lichte gronden kunnen, in samenhang bezien en gelet op de gegeven toelichting, de maatregel van bewaring reeds dragen, omdat daaruit een significant risico voortvloeit dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige in de maatregel genoemde gronden kunnen daarom verder onbesproken blijven.
Lichter middel
9. Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat het niet opnieuw toepassen van een lichter middel niet onevenredig zwaar is en niet doeltreffend om het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken te ondervangen. Er zijn eerder vertrekgesprekken met eiser gevoerd om vrijwillig vertrek te bewerkstelligen. Daarbij komt dat de geplande overdracht op 22 augustus 2024 geannuleerd moest worden omdat eiser niet op de ophaallocatie aanwezig was.
Ambtshalve toetsing
10. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 oktober 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Algemene wet bestuursrecht.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.