Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:17106
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,321 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-767086-20
Datum uitspraak: 22 oktober 2024
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 oktober 2024 en 8 oktober 2024 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C Sam-Sin en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.J.M. Laurier naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat wat is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt met betrekking tot de feiten 1 en 2 erop neer dat de verdachte zich al dan niet samen met anderen heeft beziggehouden met de productie van amfetamine, MDMA en/of MDEA en het plegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht op die productie.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit. Op specifieke standpunten van de raadsvrouw zal - voor zover relevant - later in dit vonnis worden ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De politie heeft op 8 maart 2020 een inval gedaan in een loods gelegen aan de [adres 2] in Hengelo. Hier werd een amfetaminelaboratorium (hierna ook: laboratorium) ontdekt. Niet ter discussie staat dat dit laboratorium als volgt was opgebouwd. Er was een loods (ruimte L), een kantineruimte (ruimte K) en een slaapruimte. De productieruimte (ruimte P) was rechts en de destilleerruimte (ruimte D) was links van ruimte K gesitueerd. Er was ook een koelcel (ruimte V).
De verdachte werd in de slaapruimte aangehouden (hierna ook te noemen: [de verdachte] ). [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (hierna te noemen: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) werden in ruimte K aangehouden. [medeverdachte 4] (hierna te noemen: [medeverdachte 4] ) is later die dag op het terrein van de [adres 2] aangehouden. De rechtbank moet beoordelen of de verdachten die in de loods waren - kort gezegd - tezamen en in vereniging amfetamine hebben geproduceerd en voorbereidingshandelingen daartoe hebben gepleegd. De rechtbank overweegt als volgt.
In de loods waren verschillende hoeveelheden pre-precursoren, precursoren, gereinigde en ruwe amfetamine-olie, restproducten en goederen, zoals gasmaskers, gasflessen en handschoenen, ten behoeve van het productieproces van amfetamine aanwezig. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat het laboratorium ten tijde van de inval op 8 maart 2020 operationeel was, aangezien de destilleerketels in ruimte D in werking waren. Ook waren de kookketels in ruimte P nog warm en nog niet afgekoeld, waaruit blijkt dat het kookgedeelte niet lang uitgeschakeld was. Met andere woorden: er werd nog amfetamine(-olie) geproduceerd. Werkzaamheden in een drugslab worden vaak in zogenaamde ploegendiensten verricht omdat het productieproces zo’n dertig uur in beslag neemt. Buiten voornoemde vier verdachten waren er in de loods geen andere personen die dit productieproces hebben kunnen uitvoeren. Het is voorts niet aannemelijk dat zomaar willekeurige personen zouden worden toegelaten in de loods, onder andere gelet op het risico van ontdekking van het laboratorium. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat deze vier verdachten elk een rol bij het laboratorium hebben vervuld. Dat deze verdachten samen betrokken waren bij het productieproces blijkt voorts uit de volgende bevindingen.
Ten eerste zijn in verschillende ruimtes van de loods vier identieke sportassen met schone kleren gevonden. In één van de tassen is medicatie van [medeverdachte 2] aangetroffen. Ook zijn slaapzakken (vier stuks), hoofdkussens, tandenborstels en tubes tandpasta, telkens van hetzelfde merk, aangetroffen. Dat duidt erop dat er vier personen met het productieproces bezig waren. Ten tweede zijn in ruimte P en ruimte K plastic handschoenen aangetroffen, waarop DNA-sporen zijn aangetroffen die matchen met dat van [medeverdachte 3] . Op de handschoen uit ruimte K werden ook sporen van amfetamine en N-formylamfetamine aangetroffen. Tevens zijn in ruimte K twee volgelaatmaskers aangetroffen, waarop een DNA-spoor is aangetroffen dat matcht met dat van [de verdachte] . Ten derde roken de kleding van [medeverdachte 1] en de laarzen van [medeverdachte 3] naar chemicaliën en zijn er op hun kledingstukken sporen van amfetamine aangetroffen. Ten slotte zijn bij de doorzoeking van de verblijfplaats van [medeverdachte 1] facturen en een gedetailleerd aantekeningenboekje gevonden, met daarin tekeningen en berekeningen die zien op het opzetten van een laboratorium en de productie van amfetamine.
De verdachte heeft zich gedurende het gehele proces op zijn zwijgrecht beroepen, terwijl zijn aanwezigheid in de loods (en meer bijzonder: in de slaapruimte) en de DNA-sporen op de volgelaatmaskers vragen om een verklaring van de verdachte. Die heeft hij echter niet gegeven.
Dit alles leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [de verdachte] samen in de loods bezig waren met de productie van amfetamine.
Beoordeling
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan de productie van de synthetische drug amfetamine en aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor die productie.
Dit zijn ernstige strafbare feiten, zeker in een laboratorium van deze omvang. Afgaande op wat er is aangetroffen kon met het laboratorium zo meer dan een miljoen worden omgezet. De productie van synthetische drugs gaat niet zelden gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit. De maatschappelijke impact is groot en werkt op verschillende manieren door in de samenleving. Zo is de productie van synthetische drugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid en bovenal voor de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Daarnaast creëren de opslag van chemicaliën en de productie van synthetische drugs veiligheidsrisico’s voor de directe omgeving, zoals het gevaar voor brand en ontploffing, alsook het vrijkomen van giftige stoffen en schade aan het milieu. Het laboratorium stond bovendien op het erf van een woonhuis en in dezelfde loods werden kazen opgeslagen voor de verkoop op de markt.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 augustus 2024. Hieruit volgt dat de verdachte niet recent voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Redelijke termijn
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn is in deze zaak aangevangen op
9 maart 2020, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank had dus op 9 maart 2022, twee jaar later, vonnis moeten wijzen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die een langere behandelduur dan twee jaar rechtvaardigen. Dit alles betekent dat de redelijke termijn met ongeveer twee jaar en zeven maanden is overschreden. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat met een korting van 20% voldoende recht wordt gedaan aan voornoemde overschrijding.
De op te leggen straf
De rechtbank acht, gelet op de ernst van de feiten, enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Gelet op straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, hanteert de rechtbank als algemeen vertrekpunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. De rechtbank acht, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn proceshouding en zijn onduidelijk gebleven rol, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden passend en geboden. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank deze gevangenisstraf matigen tot 28 maanden. Daarvan zal de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten worden afgetrokken. Dat de verdachte zijn leven op orde lijkt te hebben en een gevangenisstraf grote impact zal hebben op zijn leven wil de rechtbank wel geloven. Gelet op de ernst van de feiten kan de rechtbank evenwel niet volstaan met een gevangenisstraf van (nog) kortere duur.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst met ingang van 20 juli 2020. De rechtbank overweegt ambtshalve dat de gronden, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid op dit moment niet meer aanwezig zijn, zodat het bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven.
7De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B en D, van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van ACHTENTWINTIG (28) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.E. Perquin, voorzitter,
mr. L. Amperse, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van R.O. Hollander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2024.