Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:16966
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,979 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16638
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1
Op 7 november 2021 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.2
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 maart 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.3
Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G. Marcus als tolk en de gemachtigde van verweerder. Als toehoorders waren aanwezig [naam] namens Vluchtelingenwerk Nederland en een stagiair van de gemachtigde van eiser.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2002 en de Zuid-Soedanese nationaliteit te hebben. Eiser is geboren en getogen in [plaats], Zuid-Soedan en is zijn geboorteplaats in 2014 ontvlucht. Via Soedan, Tsjaad en Libië is eiser per boot naar Lampedusa gegaan, vanwaar hij in 2020 het grondgebied van de Europese Unie via Italië is ingereisd. De eerste asielaanvraag van eiser in Nederland is niet in behandeling genomen vanwege een Dublin-claim op Italië. Vanwege de COVID-19 pandemie is eiser niet tijdig overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten en is zijn asielaanvraag in de nationale procedure opgenomen.
2.1
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2014 zijn geboortestreek heeft moeten verlaten, ten eerste vanwege de gewelddadigheden van de strijdende partijen in die regio en de dreiging met rekrutering door de lokale rebellen. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij problemen heeft gehad of gaat lopen vanwege het behoren tot de Nuer etniciteit, zijn politieke overtuiging en zijn illegale uitreis uit Zuid-Soedan. Bij terugkeer naar Zuid-Soedan vreest eiser om gedood of gerekruteerd te worden door de lokale rebellenmilities dan wel door de overheidsmilitairen.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Dreiging van rekrutering in 2014 door strijdende partijen;
Problemen vanwege Nuer etniciteit;
Illegaal vertrek uit Zuid-Soedan;
Politieke overtuiging.
3.1
Alle vijf relevante elementen van het asielrelaas van eiser zijn door verweerder integraal geloofwaardig geacht.
3.2
Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser met de geloofwaardig geachte relevante elementen geen gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag aannemelijk heeft gemaakt. Redengevend daarvoor is dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor de autoriteiten en de strijdende partijen in Zuid-Soedan vanwege het behoren tot de Nuer etniciteit of zijn politieke overtuiging.
3.3
Verweerder heeft daarbij betrokken dat uit openbare bronnen over Zuid-Soedan niet blijkt dat de Nuer een bevolkingsgroep is die vervolgd of gemarginaliseerd wordt. Hoewel de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan nog steeds precair is vanwege oplaaiende, lokale conflicten, is er geen sprake meer van een burgeroorlog. Daarnaast is niet gebleken dat in de gebieden Leer of Unity, waar eiser heeft gewoond, door de Nuer gevochten wordt met andere groeperingen of actoren of dat de Nuer enkel vanwege hun etniciteit slachtoffer zijn van gericht of willekeurig geweld. Nu eiser ook niet aannemelijk gemaakt heeft dat hij persoonlijk gezocht of bedreigd wordt vanwege zijn Nuer etniciteit, is van gegronde vrees voor vervolging geen sprake.
3.4
Ook vervolging vanwege zijn politieke overtuiging is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft daarbij betrokken dat bij eiser slechts sprake is van een beperkte sterkte van de politieke overtuiging, nu eiser verklaard heeft dat hij niet geïnteresseerd is in politiek, nooit partij heeft willen kiezen in het conflict in Zuid-Soedan en ook nooit politieke activiteiten heeft uitgevoerd. Verweerder heeft hierbij ook aan eiser tegengeworpen dat zijn politieke overtuiging enkel gerelateerd is aan zijn stelling dat hij niet gedwongen wil worden om deel te nemen aan de gewapende strijd in Zuid-Soedan. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij niet zozeer wil opkomen voor de rechten van de Nuer, maar vooral voor zijn eigen rechten, dat hij zichzelf niet als activist ziet en de regering niet via social-media of andere manieren heeft bekritiseerd. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege het onttrekken aan gedwongen rekrutering, nu de geloofwaardig geachte dreiging voor rekrutering niet gelijkgesteld kan worden aan een militaire dienstweigering. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij of zijn familieleden zijn benaderd door overheidsmilitairen vanwege de dienstplicht en van een concrete oproeping voor rekrutering is dan ook geen sprake. Nu niet gebleken is van negatieve belangstelling voor of monitoring van eiser vanwege zijn politieke overtuiging, en nu de sterkte van de politieke overtuiging en eiser zijn politieke profiel beperkt zijn geacht, wordt vervolging op deze grond niet aannemelijk geacht bij terugkeer naar Zuid-Soedan.
3.5
Verweerder heeft ook geconcludeerd dat op grond van de geloofwaardig geachte relevante elementen niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM loopt.
3.6
Zo is in Zuid-Soedan geen sprake van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (afgekort: Kri), waardoor de enkele aanwezigheid van eiser in Zuid-Soedan al maakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van gewapend conflict. Hoewel verweerder concludeert dat de situatie in Zuid-Soedan weliswaar zorgelijk is, is niet voldaan aan de hoge lat van ‘the most extreme cases of general violence’.
3.7
Ook is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Zuid-Soedan een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege gedwongen rekrutering. De gestelde dreiging daartoe heeft eiser niet aannemelijk gemaakt met bewijsmiddelen of verwijzingen naar openbare bronnen. De verklaringen van eiser over het onttrekken aan rekrutering in 2014 zijn onvoldoende om aannemelijk te achten dat momenteel om die reden nog steeds sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De enkele stelling dat eiser via-via vernomen heeft dat hij nog gevaar loopt, mede omdat hij lange tijd niet meer in Zuid-Soedan geweest is en zich nooit eerder bij één van de strijdende partijen heeft willen aansluiten, maakt dit niet anders nu deze stellingen niet met openbare objectief verifieerbare bronnen zijn gestaafd. Daarbij is door verweerder ook betrokken dat uit cijfers van de UNHCR blijkt dat in 2023 meer dan 62.000 vluchtelingen veilig zijn teruggekeerd naar Zuid-Soedan.
3.8
Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn illegale uitreis in 2014 bij terugkeer naar Zuid-Soedan een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder werpt daarbij tegen dat dit niet is gebleken uit de verklaringen van eiser, uit overgelegde documenten of verwijzingen naar openbare bronnen. Ook in dit kader wijst verweerder op cijfers van de UNHCR, waaruit blijkt dat er ongeveer 2,2 miljoen Zuid-Sudanezen in omringende landen verblijven, die meestal illegaal het land zijn uitgereisd, en waarvan sinds de vredesovereenkomst van oktober 2018 al bijna 1 miljoen mensen zijn teruggekeerd.
3.9
Gelet op al het voorgaande is, ondanks de geloofwaardig geachte elementen van het asielrelaas, de asielaanvraag van eiser afgewezen, omdat geen sprake is van gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM. Ook is een terugkeerbesluit opgelegd, gericht op vertrek naar Zuid-Soedan, met een vertrektermijn van vier weken.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe in beroep de volgende beroepsgronden aan.
4.1
Eiser vindt dat verweerder de verschillende geloofwaardig geachte elementen van het asielrelaas niet of onvoldoende in samenhang met elkaar heeft beoordeeld.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting en vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser dienen te beslissen. De rechtbank geeft verweerder daarvoor een termijn van 10 weken na deze uitspraak.
8. Er bestaat aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen voor het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Dit bedrag aan proceskosten wordt vanwege de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €1.750,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van €875,- per punt, wegingsfactor 1). Omdat eiser op toevoeging is bijgestaan, dient verweerder dit bedrag aan de gemachtigde van eiser te betalen.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (afgekort: Vw).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 62, eerste lid van de Vw.
Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 7 juli 2023, zaaknummer NL22.20221, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Beoordeling
De optelsom van alle risicofactoren (onttrokken aan rekrutering, illegaal vertrek, uiten van politieke overtuiging en problemen vanwege de etniciteit) maken samen dat eiser wel degelijk risico op vervolging of ernstige schade loopt bij terugkeer. Verweerder heeft dit miskend en verwezen wordt naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. Ook de conclusies van het individuele deskundigenrapport over de situatie van eiser door dhr. Verhey van Vluchtelingenwerk zijn in de beoordeling van het bestreden besluit onvoldoende betrokken.
4.2
Ook heeft verweerder zijn conclusies over de zwaarwegendheid gebaseerd op openbare bronnen die inmiddels gedateerd zijn en heeft de meer recente bronnen niet in acht genomen. Zo is door verweerder wel verwezen naar een rapport van de VN uit 2023, maar is niet gemotiveerd waarom dit de conclusies van het voornemen niet anders maakt. Ook blijkt uit een rapport van Human Rights Watch van 13 januari 2022 dat er in Zuid-Soedan in zijn algemeenheid nog steeds (gedwongen) rekrutering plaatsvindt.
4.3
Ten aanzien van de politieke overtuiging stelt eiser dat verweerder de betekenis van het arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2023 heeft miskend. Uit dit arrest volgt dat voor het beoordelen van gegronde vrees voor vervolging vanwege een politieke overtuiging de persoonlijke situatie van eiser en de perceptie van actoren van vervolging van belang is. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en miskend dat uit dit arrest ook volgt dat bij eerdere negatieve aandacht van de autoriteiten vanwege politieke overtuiging niet getoetst wordt aan de zwaarte van de overtuiging.
4.4
Ten aanzien vanwege de problemen vanwege de Nuer etniciteit heeft verweerder in zijn conclusie miskend dat uit het UNHCR rapport volgt dat er een dode is gevallen onder de Nuer-groepering. Daarnaast heeft verweerder niet kunnen volstaan met de stelling dat de vicepresident van Zuid-Soedan ook tot de Nuer-etniciteit behoort en daardoor bescherming mogelijk is, nu de Nuer geen gemarginaliseerde groep betreft. Verweerder miskent hiermee dat een persoon als de vice-president meer mogelijkheden tot bescherming heeft dan een persoon van simpele komaf als eiser. Ook is met deze stelling niet aangetoond dat de Nuer geen problemen ondervinden in Zuid-Soedan.
4.5
In beroep voert eiser ook aan dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in Zuid-Soedan momenteel geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c Kri. De tegenwerping dat de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, gebaseerd is op gedateerde bronnen, miskend dat uit meer actuele bronnen van de UNHCR en het individuele rapport van Verhey blijkt dat in Zuid-Soedan wel degelijk sprake is van slachtoffers van willekeurig geweld en dat uitzetting naar Zuid-Soedan niet mogelijk en wenselijk is. In het kader van het beroep artikel 15c is in de bijlages bij de beroepsgronden ook verwezen naar een rapport van het South Sudan Customary Authorities Project en een rapport van Human Rights Watch uit 2015 over destructie, moorden en seksueel geweld in Unity State, Zuid-Soedan.
4.6
In aanvulling op de beroepsgronden is door eiser ook een individueel rapport van Vluchtelingenwerk ingebracht, die nader onderbouwd is met een expert opinion van de deskundige Verney en input van deskundige Stringham. Ook deze originele bronnen van Verney en Stringham zijn aan het dossier toegevoegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder in reactie op het rapport van Vluchtelingenwerk en de rapporten van Verney en Stringham - kort samengevat - toegelicht dat de deskundigheid van rapporteurs Verney en Stringham wordt betwist, dat de beoordeling van de zwaarwegendheid aan verweerder is en niet aan een deskundige, dat de rapporten vooral algemene achtergrondinformatie over de ontwikkeling van het conflict in Zuid-Soedan bevatten en dat eiser onvoldoende geconcretiseerd heeft welke informatie uit de rapporten duidt op een voor eiser individualiseerbaar en aannemelijk asielrisico.
Deskundigheid rapporteurs
6. De rechtbank volgt verweerder niet in dit betoog en overweegt daartoe als volgt.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de toelichting ter zitting onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd waarom niet kan worden uitgegaan van de deskundigheid van de rapporteurs Verney en Stringham. Zo overweegt de rechtbank dat de heer Verney in zijn rapport zijn deskundigheid heeft toegelicht, zijn jarenlange ervaring met de situatie in (Zuid) Soedan heeft beschreven en heeft benoemd voor welke instanties hij onder andere heeft gerapporteerd. Verder heeft de heer Verney in zijn rapport verwezen naar diverse wetenschappelijke bronnen. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn conclusie dat de heer Verney in het rapport enkel niet onderbouwde stellingen heeft ingenomen. Ook heeft de heer Verney in zijn rapportage verwezen naar rechterlijke uitspraken waarin zijn deskundigheid wordt erkend en blijkt uit het rapport van Vluchtelingenwerk dat ook Vluchtelingenwerk de heer Verney als (Zuid-) Soedan deskundige beschouwt. Hoewel de rechtbank met verweerder eens is dat de beoordeling van de zwaarwegendheid aan verweerder is en niet aan de heer Verney, is de rechtbank tegen de hiervoor genoemde achtergrond van oordeel dat verweerder niet in zijn geheel aan de inhoud van het rapport voorbij mocht gaan. Hetzelfde geldt voor het rapport van de heer Stringham, nu verweerder ook zijn deskundigheid niet gemotiveerd heeft weersproken.
Inhoud rapporten Vluchtelingenwerk, inclusief verwijzingen naar Verney en Stringham
6.2
De rechtbank volgt verweerder vervolgens ook niet in zijn stelling dat het rapport van Vluchtelingenwerk slechts algemene informatie over de situatie in Zuid-Soedan bevat en dat eiser onvoldoende geconcretiseerd heeft welke informatie uit het rapport, waarin ook wordt verwezen naar de rapporten van Verney en Stringham, duidt op mogelijke asielrisico’s voor eiser.
6.3
In reactie op het uitgebreide verweerschrift heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 19 augustus 2024 nader geconcretiseerd om welke informatie het te doen is. In die brief en ter zitting heeft de gemachtigde van eiser onder meer toegelicht dat in het gebied waar eiser vandaan komt nog steeds sprake is van gedwongen rekrutering, dat gedwongen rekrutering met grotere regelmaat voorkomt dan door verweerder is geschetst en dat jonge mannen – ook van de leeftijdscategorie van eiser – die ontheemd zijn en geen bescherming meer van hun familie genieten een verhoogd risico lopen om gedwongen gerekruteerd te worden. Verder volgt uit de rapportages dat eiser vanwege het ontduiken van de dienstplicht en het ontvluchten van Zuid-Soedan ten tijde van de burgeroorlog geen traditionele littekens (‘scarfication’) heeft opgelopen. Hierdoor valt eiser op bij terugkeer naar Zuid-Soedan. Het is zichtbaar dat hij geen kant heeft gekozen in de burgeroorlog en niet onder de wapenen is geweest. Eiser loopt hierdoor een verhoogd risico op het alsnog ondergaan van gedwongen ‘scarification’. Tot slot volgt uit het rapport dat het voorgaande (gedwongen rekrutering, scarification) maakt dat het voor eiser onmogelijk zal zijn om bij terugkeer politiek neutraal te blijven, hetgeen wringt met eiser zijn geloofwaardig geachte politieke overtuiging, die erop neerkomt dat eiser zich niet wenst aan te sluiten bij enige gewapende groep, noch van zijn etnische groep, noch van de Zuid-Soedanese autoriteiten.