Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:1687
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Bodemzaak
4,405 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Gravenhage
PV/c
Zaak-/rolnr.: 10641809 RL EXPL 23-12661
13 februari 2024
Vonnis in het incident van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
, wonende te [woonplaats] ,eiser in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,procederend in persoon,
tegen
de Staat der Nederlanden,
zetelend in Den Haag,gedaagde in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident,
hierna te noemen: de Staat,gemachtigden: mrs. P.P.M. van Kippersluis en P.J. Mauser.
1Procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 27 juli 2023 met producties 1 t/m 10;
- de akte overlegging producties tevens houdende vermeerdering van eis met producties 11 t/m 14;
- de conclusie van antwoord;
- de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv met producties 14 en 15;
- de conclusie van antwoord in het incident;
- de e-mail van [eiser] van 27 november 2023 met 3 bijlagen (waaronder een akte houdende notitie);
- de akte houdende wijziging notitie van de zijde van [eiser] ;
- de akte houdende vermeerdering van eis ten behoeve van de mondelinge behandeling incidentele vordering ex artikel 223 Rv met producties 16 t/m 18.
1.2.
Op 15 december 2023 heeft de mondelinge behandeling in het incident plaatsgevonden. Hierbij is [eiser] verschenen. De Staat is verschenen bij mw. [naam 1] en mw. [naam 2] , bijgestaan door mr. P.P.M. van Kippersluis en mr. J.C.A. Rozenboom. Door de Staat is ter zitting gepleit aan de hand van schriftelijke spreekaantekeningen. Van hetgeen door partijen ter zitting verder naar voren is gebracht, is proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal en de schriftelijke spreekaantekeningen van de Staat bevinden zich in het procesdossier.
1.3.
Op 16 december 2023 heeft [eiser] een wrakingsverzoek tegen de kantonrechter ingediend, welk verzoek door de wrakingskamer bij beslissing van 29 januari 2024 is afgewezen.
1.4.
Het vonnis in incident is vervolgens bepaald op vandaag.
Geschil
in de hoofdzaak
2.1.
[eiser] vordert – na eiswijziging – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in strijd is met de wet, goede zeden en openbare orde, althans:
voor recht te verklaren dat het wijzigen van de arbeidsovereenkomst en pensioenovereenkomst met terugwerkende kracht in strijd is met de wet;
voor recht te verklaren dat het onder de uitkeringsovereenkomst opgebouwde pensioenkapitaal en het recht op de daarmee verbonden levenslange pensioenuitkering, geen voorwerp mag worden van eenzijdige afkoop en eenzijdige collectieve waardeoverdracht als bedoeld onder de titel ‘invaren’ van de Wtp (collectieve waardeoverdracht van pensioenaanspraken en pensioenrechten);
voor recht te verklaren dat het pensioenreglement, zoals dat luidt in het jaar en op de datum van pensionering, op de betrokken gepensioneerde van toepassing blijft en achteraf niet met terugwerkende kracht gewijzigd mag worden;
voor recht te verklaren dat artikel 4 lid 5 Wet privatisering ABP (WPA) niet van toepassing is op de Wtp omdat verboden onderscheid wordt gemaakt tussen georganiseerde en ongeorganiseerde werknemers;
de Staat te verbieden het opgebouwde pensioenkapitaal van [eiser] eenzijdig af te kopen en tot eenzijdige waardeoverdracht naar het pensioenfonds over te gaan als bedoeld onder de titel ‘invaren’ van de Wtp (collectieve waardeoverdracht van pensioenaanspraken en pensioenrechten);
de Staat te veroordelen tot het beschikbaar stellen van een budget van € 98.000,- als ongelijkheidscompensatie ter dekking van juridische kosten die [eiser] moet maken indien (hoger) beroep wordt ingesteld tegen het vonnis van deze rechtbank, het arrest van het gerechtshof en het arrest van de Hoge Raad;
de Staat te gebieden dat pensioenuitvoerder ABP vooralsnog 195 miljard van het vermogen afscheidt ter reservering van de uitkeringsverplichtingen van pensioenrechten die opgebouwd zijn uit de uitkeringsovereenkomst van pensioengerechtigden (carve-out);
wat betreft de onder e) en f) uit te spreken veroordeling te bepalen dat bij niet-nakoming hiervan de Staat een dwangsom zal verbeuren van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte hiervan dat de Staat in gebreke mocht blijven aan de bepalingen van het vonnis te voldoen.
2.2.
De Staat concludeert (verkort weergegeven) tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] , althans afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn, en de nakosten, met verklaring dat deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zijn.
in het incident
2.3.
[eiser] vordert – na eiswijziging – bij (tussen)vonnis in voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de Staat te gelasten binnen tien dagen na bekendmaking van het vonnis, afschriften te verstrekken van de authentieke adviezen van de landsadvocaat van 7 maart 2011, 18 maart 2011, 14 juni 2013 en juni 2020 [zo zal zijn bedoeld], zonder verwijdering of het onzichtbaar maken van gedeelten van het advies behoudens namen van betrokken ambtenaren;
te bepalen dat bij niet-nakoming hiervan de Staat een direct opeisbare dwangsom zal verbeuren van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte hiervan dat de Staat in gebreke blijft aan de bepalingen van het vonnis te voldoen;
de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding, inbegrepen de nakosten.
2.4.
Aan zijn vordering legt [eiser] – samengevat – ten grondslag dat hij een spoedeisend en dringend belang heeft bij het verkrijgen van een afschrift van genoemde adviezen omdat die allen zien op de (invoering en juridische haalbaarheid van de) in de hoofdzaak ter discussie staande Wtp.
2.5.
De Staat heeft verweer gevoerd. Op dat verweer wordt hieronder – voor zover van belang – nader in gegaan.
Beoordeling
in het incident
3.1.
Als inleidende opmerking wenst de kantonrechter partijen erop attent te maken dat in de partijbenamingen uitsluitend de Staat wordt vermeld als de gedaagde partij en niet ook de afzonderlijk door [eiser] genoemde ministeries of ministers. De dagvaarding van [eiser] richt zich tegen de “Minister van Justitie en Veiligheid” en de “Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BZK”, terwijl zijn incidentele vordering zich blijkens het voorblad richt tegen het “ministerie van Justitie en Veiligheid”, het “ministerie van Binnenlandse Zaken” en het “ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid”, evenals de – tussen haakjes weergegeven – “minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen”. Aangezien ministeries afdelingen zijn van de Staat en ministers de politiek verantwoordelijken zijn van een ministerie, maar niet als zodanig in een procedure kunnen worden betrokken, wordt uitsluitend de Staat beschouwd als de gedaagde partij.
3.2.
In het kader van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv vordert [eiser] verstrekking van afschriften van diverse adviezen die door de landsadvocaat aan de Staat zijn verstrekt ter voorbereiding op de Wtp. Specifiek betreft het verzoek verstrekking van het advies van 7 maart 2011, waarin de landsadvocaat geconcludeerd zou hebben dat het juridisch niet haalbaar is om bestaande pensioenaanspraken en -rechten ‘in te varen’ in een nieuw pensioenstelsel, en de adviezen gegeven op 18 maart 2011 en 13 juni 2013 en in juni 2020, die volgens [eiser] eveneens betrekking hebben op de integratie van bestaande pensioenaanspraken en -rechten in een nieuw pensioenstelsel.
3.3.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] , in antwoord op vragen van de kantonrechter, uiteengezet dat de vordering in de hoofdzaak gericht is tegen de Staat in zijn hoedanigheid als voormalig werkgever van [eiser] . Het is binnen deze context dat [eiser] over de adviezen waarvan hij afschriften verlangt te kunnen beschikken.
3.4.
De vordering zoals die voorligt, die bij toewijzing erop neerkomt dat de Staat gedwongen wordt om inzage te geven in informatie die zich binnen zijn domein (althans die van zijn advocaat) bevindt, kan niet zonder meer worden toegewezen. Zoals geldt voor iedere andere vordering in een civiele procedure, vereist dat voor toewijzing van een vordering als de onderhavige een toereikende grondslag dient te worden genoemd. In het voorliggende geval zal dat een wettelijke grondslag dienen te zijn, nu gesteld noch gebleken is dat enige contractuele grondslag (bijvoorbeeld in de pensioenovereenkomst) bestaat voor het recht op afgifte van afschriften van de adviezen van de landsadvocaat.
3.5.
De kantonrechter stelt daarbij voorop dat de wet geen algemene exhibitieplicht kent. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat wel enkele bepalingen op grond waarvan een procespartij (of de rechter) openheid van stukken kan vorderen bij de wederpartij. Op geen van deze bepalingen heeft [eiser] een (impliciet) beroep gedaan zij het dat [eiser] zijn recht om afschriften te verkrijgen lijkt te baseren op (een combinatie van) artikel 223 Rv en artikel 21 Rv. Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat de grondslag van zijn vordering te vinden is in het bepaalde in het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie. Ter zitting heeft [eiser] voorts, desgevraagd, aangegeven dat een juridische grondslag aanwezig is vanwege het feit dat hij door de Wtp rechtstreeks wordt geraakt in zijn belangen.
3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat geen van deze (rechts)gronden [eiser] het recht geeft op de door hem beoogde overlegging van de stukken. De wens om adviezen van de landsadvocaat van de Staat in te zien reikt verder dan de duur van het geding, waardoor een dergelijke vordering niet gestoeld kan worden op artikel 223 Rv. Op grond van die bepaling kan de rechter immers slechts een voorlopige voorziening treffen voor de duur van het geding. Evenmin bieden tekst en strekking van artikel 21 Rv, op grond waarvan partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, aanleiding om aan te nemen dat hieruit een recht op informatieverschaffing voortvloeit voor [eiser] . Hetzelfde geldt in zekere zin voor het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie. Dit besluit bevat blijkens de toelichting op artikel 1 slechts algemene regels voor de beveiliging van informatie binnen de rijksoverheid en voorziet in dat kader in rubriceringsaanduidingen voor staatsgeheimen. Ook uit de tekst en aard van dit besluit kan de kantonrechter geen grondslag afleiden voor de vordering van [eiser] .
3.7.
Hetgeen [eiser] tijdens de zitting heeft aangevoerd als grondslag voor zijn vordering, kan evenmin als basis dienen voor toewijzing ervan. De stelling van [eiser] dat hij met de invoering van de Wtp in zijn belangen als pensioengerechtigde wordt aangetast, kan beschouwd worden als antwoord op de feitelijke vraag waarom hij de adviezen wenst in te zien. Die vraag betreft echter een wezenlijk andere vraag dan de juridische vraag die in dit incident moet worden beantwoord, namelijk op grond waarvan [eiser] recht heeft op afschriften van de adviezen.
3.8.
Waar [eiser] zijn vordering niet op heeft gebaseerd, is artikel 843a Rv, kennelijk omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat deze bepaling was komen te vervallen. Zelfs indien [eiser] wel een beroep had gedaan op artikel 843a Rv, zou dit beroep verworpen worden. Redengevend hiervoor is dat de adviezen die de landsadvocaat aan de Staat heeft verstrekt, betrekking hebben op informatie die valt binnen de grenzen van het attorney-client privilege en (daarmee) onder het professionele verschoningsrecht. Het betreft immers advies dat door de landsadvocaat aan de Staat is verstrekt in het kader van de uitoefening van het vertrouwensberoep. De kantonrechter is het dan ook met de Staat eens dat de Staat niet zonder meer kan worden verplicht om aan [eiser] een afschrift te verstrekken van die adviezen. Zou dit namelijk anders zijn, dan zou het professionele verschoningsrecht van in dit geval de landsadvocaat op een te eenvoudige wijze omzeild kunnen worden. Dit leidt de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat ook indien [eiser] een beroep had gedaan op artikel 843a Rv er sprake zou zijn geweest van gewichtige redenen ex artikel 843a lid 4 Rv, die eraan in de weg had gestaan om de vordering tot afgifte toe te wijzen.
3.9.
De stelling van [eiser] dat de Staat op de momenten van advisering niet betrokken was bij een gerechtelijke procedure en dus geen sprake kan zijn geweest van advocaat-cliënt-correspondentie, berust op de aanname dat dergelijke correspondentie uitsluitend betrekking heeft op de communicatie tussen advocaat en cliënt die plaatsvindt binnen een lopende rechtszaak. Die aanname is echter niet juist; ook mededelingen die in het kader van de adviespraktijk door een advocaat aan de cliënt worden gedaan, vallen onder die correspondentie en dragen om die reden eveneens een vertrouwelijk karakter.
3.10.
Dat het advies van 7 maart 2011 “op straat ligt”, op grond waarvan het volgens [eiser] niet langer vertrouwelijk is, is niet komen vast te staan. De Staat heeft bevestigd dat zij eenmalig en onder strikte voorwaarden inzage in het vertrouwelijke advies heeft verstrekt aan twee individuele personen. Dit feit, samen met het gegeven dat media (waaronder de Volkskrant) in nieuwsartikelen aan dat advies gerefereerd hebben, betekent echter geenszins dat de volledige inhoud van het advies thans publiekelijk bekend is. In dat geval zou deze procedure immers overbodig zijn. Dit doet dan ook geen afbreuk aan de vertrouwelijkheid van dat advies.
Dictum
De kantonrechter:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 528,- aan salaris gemachtigde, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
4.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van € 132,- aan nasalaris, voor zover de Staat daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;
4.4.
verklaart de kostenveroordeling van [eiser] uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
4.5.
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 5 maart 2024, waarop partijen zich zullen kunnen uitlaten over de vraag of de zaak voor verdere behandeling in de stand waarin deze zich bevindt dient te worden verwezen naar de bestuursrechter van deze rechtbank;
4.6.
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2024.
Uit de memorie van toelichting bij artikel 21 Rv blijkt dat er bij artikel 21 Rv slechts om gaat “de bewuste leugen uit te bannen, daar deze in een modern procesrecht niet aanvaardbaar is”. Zie Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht 2002, p. 146.
Dat besluit is de voorloper van het thans geldende Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013.
Deze veronderstelling vindt haar oorsprong waarschijnlijk in de website wetten.nl - Regeling - Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) - BWBR0039872 (overheid.nl), waar staat dat artikel 843a Rv per 1 mei 2023 is vervallen. Dat dit er staat, heeft ermee te maken dat er twee versies van het Wetboek Rv bestonden (waaronder een versie voor niet-digitaal procederen), hetgeen onwenselijk werd geacht. Met het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de technische eenmaking van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Wet technische eenmaking Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) is aan deze situatie een einde gemaakt.