Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:16846
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,358 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.38724
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman).
Procesverloop
De minister heeft op 18 juli 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2003] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 september 2024 (in de zaak NL24.33740) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Redengevend hiervoor is dat er op 22 juli 2024 een laissez passer (lp) is aangevraagd. Daarna is slechts eenmaal gerappelleerd door de minister, namelijk op 22 augustus. De afgelopen anderhalve maand heeft de minister geen handelingen verricht die kunnen leiden tot de uitzetting van eiser, reden waarom de bewaring niet langer rechtmatig is. Eiser verzoekt om de maatregel van bewaring op te heffen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Het voortvarendheidvereiste
6. Het onderzoek bij zowel de Marokkaanse autoriteiten als de Algerijnse autoriteiten loopt nog. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er regelmatig is gerappelleerd bij zowel de Marokkaanse als de Algerijnse autoriteiten ten behoeve van het verkrijgen van een laissez passer (lp) voor eiser, laatstelijk op 2 oktober 2024. Niet gebleken is dat de Marokkaanse autoriteiten dan wel de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eiser. Tevens heeft de minister op 16 september 2024 eisers belgegevens opgevraagd bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Verder heeft de minister laatstelijk op 10 oktober 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Volgens vaste rechtspraak moet de minister ten minste één uitzettingshandeling per maand te verrichten en het is primair aan de minister om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn om een vreemdeling uit te zetten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in het geval van eiser meer of andere uitzettingshandelingen had dienen te verrichten. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
7. Los van wat door eiser is aangevoerd, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om ambtshalve tot het oordeel te komen dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 oktober 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.