Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:16804
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,975 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.17021 en NL24.17023
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. D.A.N. Dekkers).
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2024 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de bewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 april 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Surenjav. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Mongolische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 2001.
Over bestreden besluit 1
2. Eiser heeft het terugkeerbesluit en inreisverbod niet inhoudelijk bestreden. De rechtbank zal het beroep daartegen dan ook ongegrond verklaren.
Over bestreden besluit 2
2.1.
Eiser voert terecht aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de informatieplicht zoals genoemd in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit het dossier blijkt namelijk niet dat eiser, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, schriftelijk op de hoogte is gebracht van de specifieke redenen van het opleggen van de maatregel en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het besluit tot oplegging aan te vechten, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen. Weliswaar blijkt uit het dossier dat verweerder aan eiser een informatiefolder in de Mongolische taal heeft uitgereikt, maar het is de rechtbank ambtshalve bekend dat deze folder enkel algemene informatie over het fenomeen vreemdelingenbewaring bevat, en geen informatie geeft welke specifieke gronden op eisers bewaring van toepassing zijn. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan artikel 5.3 van het Vb en evenmin aan de vereisten als vermeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 november 2023.
2.2.
Dit gebrek maakt de bewaring niet zonder meer onrechtmatig, daarvoor is een
3. belangenafweging noodzakelijk. Die belangenafweging valt uit in het voordeel van verweerder. In dit geval is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet benadeeld door de gang van zaken, aangezien met eiser in het gehoor voor de inbewaringstelling is besproken op welke gronden hij in bewaring zou worden gesteld, zodat hij daarover is geïnformeerd. Daarnaast is aan eiser een advocaat toegekend die namens hem beroep heeft ingesteld. Hoewel de informatie niet bij de uitreiking van de maatregel van bewaring in een voor hem begrijpelijke taal aan eiser kenbaar is gemaakt, heeft eiser dus ook zonder deze mededeling gebruik kunnen maken van de hem toekomende procedurele rechten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt.
3.3. In navolging van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende. Sinds de hierboven vermelde uitspraak van 15 november 2023 van de Afdeling over de schending van de informatieplicht door verweerder zijn ten tijde van het opleggen van de onderhavige maatregel bijna vijf maanden verstreken. Als de onder rechtsoverweging 3.1 vermelde brief de standaard informatiebrief blijft die door verweerder bij het opleggen van vrijheidsontnemende maatregelen wordt uitgereikt, dan moet - zoals ook volgt uit wat in 3.1 is overwogen - worden vastgesteld dat verweerder ook in de toekomst niet zal voldoen aan zijn uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb voortvloeiende informatieplicht. De rechtbank sluit niet uit dat, zolang verweerder zijn werkwijze niet in overeenstemming brengt met die informatieplicht, dit op enig moment met zich kan brengen dat de rechtbank in concrete zaken het algemeen belang dat met de inbewaringstelling van de vreemdeling is gediend minder zwaar laat wegen dan het belang dat de vreemdeling heeft bij naleving van de informatieplicht. Naar het oordeel van de rechtbank moet een periode van twee maanden, te rekenen vanaf heden, als voldoende worden aangemerkt om de praktijk in overeenstemming te brengen met alle vereisten volgend uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin van het Vb.
4.1. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel dan de inbewaringstelling heeft opgelegd. Eiser heeft vanaf aanvang te kennen gegeven dat hij met zijn in Nederland verblijvende vrouw kan vertrekken naar Mongolië. In afwachting van zijn vertrek kan eiser bij haar verblijven, zij beschikt over voldoende middelen van bestaan en zij verblijft in de kamer waar hij is aangetroffen op 10 april 2024. Onder die omstandigheden had verweerder moeten volstaan met een lichter middel, wat verweerder volgens het formulier HV21 aanvankelijk ook van plan was, aldus eiser.
4.2. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Eiser is eerder aangetroffen op 5 maart 2024 en destijds gaf hij aan niet naar Mongolië te willen. . Verweerder heeft eiser daarop in de gelegenheid gesteld naar Ter Apel te reizen en zich diezelfde dag nog te melden bij het aanmeldcentrum. Eiser heeft zich daar echter niet gemeld en hij heeft ook geen melding gedaan van (de verlenging van) zijn illegale verblijf. Op 11 april 2024 is eiser opnieuw aangetroffen bij een controle, waarbij hij een valse naam opgaf en vervolgens via het raam het huis waar hij werd aangetroffen ontvluchtte. Verder is niet gebleken dat eiser daadwerkelijk beschikt over een vliegticket, terwijl zijn vrouw wel beschikte over een vliegticket voor een vlucht op korte termijn, te weten [datum] april 2024. Verweerder heeft gelet daarop in de maatregel kunnen overwegen dat deze omstandigheden niet in eisers voordeel spreken en dat het risico te groot wordt geacht dat eiser zich opnieuw onttrekt aan het toezicht bij oplegging van een lichter middel.
Over de beroepen
5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2023:4180
Zie de door eiser overgelegde uitspraak van 10 april 2024 in de zaak NL24.12514.