Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:16742
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,349 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/94
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit de Filipijnen, eiseres
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. J. Vreijsen).
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor verblijf bij de heer [referent] (referent). De minister heeft de aanvraag afgewezen op 21 juni 2023. Hiertegen heeft eiseres bezwaar ingediend.
2. Omdat de minister niet binnen de beslistermijn een beslissing op het bezwaar heeft genomen, heeft eiseres verweerder bij brief van 13 december 2023 in gebreke gesteld. Aangezien vervolgens niet binnen twee weken is beslist door de minister, heeft eiseres bij brief van 29 december 2023 een beroep niet tijdig beslissen ingediend.
3. De minister heeft op 17 februari 2024 een beslissing genomen op het bezwaarschrift. Bij brief van 15 maart 2024 heeft eiseres gronden ingediend tegen de beslissing op bezwaar. Het beroep is, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), daarom mede gericht op de beslissing op bezwaar.
4. De rechtbank heeft beroep op 3 september 2024 behandeld op zitting. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
Beoordeling
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
5. Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar is niet-ontvankelijk. Eiseres wilde met haar beroep namelijk bereiken dat de minister zou beslissen op haar bezwaarschrift. Omdat de minister alsnog op het bezwaar heeft beslist, heeft eiseres geen belang meer bij een uitspraak op het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.
6. Omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en eiseres dus terecht beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingesteld, wordt de minister veroordeeld in de kosten die eiseres in zoverre heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 437,50, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiseres één punt met een waarde van € 875,- wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het bij dit beroep uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit.
Het beroep tegen de afwijzing van het aangevraagde visum kort verblijf
7. Het beroep is ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres in bezwaar niet heeft hoeven horen, de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf heeft kunnen afwijzen en dat de minister geen dwangsom heeft verbeurd. Hieronder zal de rechtbank verder toelichten hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de hoorplicht geschonden?
8. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. De afwijzingsgronden had eiseres kunnen ophelderen tijdens een hoorzitting. Referent heeft aangevoerd dat hij zijn vriendin kennis wil laten maken met Nederland en de Nederlandse cultuur. Het is onduidelijk waarom dat niet duidelijk zou zijn.
9. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 volgt dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. De minister mag alleen van horen afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden in bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Een vuistregel hierbij is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te
krijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om de vreemdeling uit te nodigen voor een hoorzitting.⁴
10. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat naar zijn oordeel eiseres (onder andere) de sociale en economische binding met de Filipijnen onvoldoende heeft onderbouwd. Daarover heeft eiseres in bezwaar geen nieuwe informatie overgelegd. De enige nieuwe informatie die eiseres in bezwaar heeft overgelegd was een door referent ingevulde vragenlijst, een verzekeringspolis van referent en een e-mailbericht met vluchtgegevens van 11 oktober 2023. Deze informatie geeft geen nadere onderbouwing van de sociale en economische binding met de Filipijnen. Verder is niet gebleken dat eiseres inspanningen heeft verricht om meer documenten ter onderbouwing van de sociale en economische binding met de Filipijnen te onderbouwen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de minister heeft kunnen afzien van het horen van eiseres in bezwaar.
Heeft de minister het visum kunnen afwijzen?
11. De rechtbank stelt vast dat eiseres over de afwijzing alleen heeft aangevoerd dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom er twijfel zou bestaan over de echtheid van de overgelegde stukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan dan wel over de verklaringen.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de stukken die eiseres heeft overgelegd onvoldoende zijn om aan te tonen dat eiseres sociale en economische binding heeft met de Filipijnen. Eiseres heeft niet met bewijsstukken aangetoond dat zij een zoon heeft en dat de zoon nog afhankelijk is van eiseres. Ook heeft eiseres niet aangetoond dat haar ouders hulpbehoevend zijn en dat eiseres hen verzorgt en financieel ondersteunt. Verder heeft de minister kunnen overwegen dat er onvoldoende economische binding is met de Filipijnen. Eiseres heeft alleen een werkgeversverklaring overgelegd, maar zij heeft geen stukken overgelegd om haar inkomsten te onderbouwen.
13. Gelet op het vorenstaande heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van Nederland te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. De minister heeft de aanvraag op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode kunnen afwijzen. De rechtbank stelt vast dat de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode genoemde redenen ieder afzonderlijk voldoende zijn om een visum te weigeren. De door de minister toegepaste afwijzingsgrond draagt de beslissing tot afwijzing van de aanvraag zelfstandig, waardoor de andere door de minister toegepaste afwijzingsgronden niet meer besproken hoeven te worden.
De dwangsom
14. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat er ten onrechte geen dwangsom is vastgesteld in het bestreden besluit.
15. De rechtbank overweegt dat als een bestuursorgaan in gebreke is bij het tijdig nemen van een beslissing op een aanvraag of een beslissing op bezwaar, de betrokkene een dwangsom verbeurt. Dit niet het geval als het bezwaar ‘kennelijk’ ongegrond is. Op grond van het voorgaande heeft de minister in dit geval het bezwaar kennelijk ongegrond mogen verklaren. Daarom heeft de minister geen dwangsom verbeurd.
Conclusie
16. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres is niet- ontvankelijk.
17. Omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en eiseres dus terecht een beroep niet tijdig heeft ingesteld, wordt de minister veroordeeld in de kosten die eiseres in zoverre heeft moeten maken. Deze kosten worden, zoals toegelicht onder 6, vastgesteld op € 437,50.
18. Het beroep tegen het bestreden besluit van 17 februari 2024 is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag om een visum kort verblijf heeft kunnen afwijzen. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht niet terug en de minister hoeft de in het kader van dit beroep gemaakte proceskosten niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 17 februari 2024 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
30 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Artikel 4:17 van de Awb.
Artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb.