Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:16611
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,545 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37872
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. H.G.A.M. Halfers, waarnemend gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Cheiboukh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
In de maatregel is tevens gemotiveerd waarom de maatregel is gegrond op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
3. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en overweegt daartoe als volgt.
4. Eiser voert aan dat de namens verweerder handelende ambtenaren niet bevoegd zijn om de aan de verweerder toegekende bestuursmacht uit te oefenen omdat de mandatering hiervan niet geldig is geregeld. Hierdoor zijn de ambtenaren volgens eiser ook niet bevoegd om de bewaring van eiser op te leggen en uit te voeren.
5. Deze grond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging beleidsterreinen Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie een regeling betreft afkomstig van onder andere de huidige minister. Anders dan eiser stelt is er dus geen sprake van het overdragen van mandatering door een niet meer bevoegde minister. De huidige en daartoe bevoegde minister heeft de mandatering actief overgenomen door middel van de hiervoor genoemde regeling. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd en de rechtbank is ambtshalve niet gebleken waarom de overname van de mandatering niet op deze wijze zou kunnen worden geregeld. De maatregel is daarom -in beginsel- bevoegd opgelegd.
6. Eiser voert verder aan dat uit de maatregel blijkt dat de onderhavige maatregel op 30 september 2024 om 14:05 uur is opgelegd, terwijl uit de M113 blijkt dat de voorgaande maatregel van 20 augustus 2024 op 30 september 2024 om 13:57 uur is opgeheven. Eiser stelt dat twee maatregelen niet tegelijkertijd ten uitvoer kunnen worden gelegd.
7. Eiser kan worden gevolgd dat de bewaring slechts op grond van één maatregel kan worden geëffectueerd. Elke maatregel op een andere grondslag beoogt immers een eigen doel en een maatregel kan niet tegelijkertijd als doel hebben om de verwijdering naar het land van herkomst te verzekeren en de behandeling van de asielaanvraag te verzekeren. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het ondertekenen van de M113 een administratieve handeling betreft en met het opleggen van de nieuwe maatregel de daaraan voorafgaande maatregel is opgeheven. De rechtbank overweegt dat er geen misverstand over kan bestaan op welk tijdstip de actuele maatregel is opgelegd, maar dat het wel overzichtelijker zou zijn om de verslaglegging zodanig uit te voeren dat indien het tijdstip van ondertekening van de M113 afwijkt van het tijdstip van de daadwerkelijke opheffing van de maatregel, dit ook zo vast te leggen, dus door niet alleen de dag maar ook het tijdstip van de opheffing vermelden. Dat zou discussies als deze voorkomen. Het tijdstip waarop de ten behoeve van de voorgaande maatregel opgemaakte M113 is ondertekend, is dus niet het tijdstip waarop de voorgaande maatregel is opgeheven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Voor eiser was een vlucht gepland op 30 september 2024. Deze vlucht heeft echter geen doorgang kunnen vinden omdat eiser op 26 september 2024 een asielaanvraag heeft ingediend. Uit de motivering van de maatregel blijkt dat wordt aangenomen dat eiser deze aanvraag heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit te verijdelen. Eiser heeft deze aanname niet weersproken. De bewaring zou dus finaal zijn opgeheven als eiser zou hebben meegewerkt aan zijn terugkeerplicht en aan de gedwongen terugkeer. Eiser wordt echter nog steeds in bewaring gehouden, maar nu op een andere grondslag. Eiser voert terecht aan dat de voorgaande maatregel te lang heeft voortgeduurd nadat de grondslag hieraan is komen te ontvallen. Eiser, die vanaf 2 mei 2024 ononderbroken in bewaring wordt gehouden, heeft immers op 26 september 2024 een (herhaalde) asielaanvraag ingediend. Dit betekent dat indien verweerder eiser in bewaring wilde houden, verweerder uiterlijk op 28 september 2024 een maatregel op een andere grondslag had moeten opleggen. De maatregel op grond waarvan eiser thans in bewaring wordt gehouden is echter pas op 30 september 2024 opgelegd. De voorgaande maatregel is dus op 29 september 2024 en deels op 30 september 2024 onrechtmatig ten uitvoer gelegd. Dit betekent niet dat de thans geldende maatregel reeds daarom onrechtmatig is. De rechtbank komt niet tot de conclusie dat bij het hebben laten voortduren van de voorgaande maatregel terwijl de grondslag daaraan was komen te vervallen, sprake is van enige kwade trouw of misleiding aan de zijde van verweerder, zodat de deels onrechtmatig ten uitvoer gelegde voorgaande maatregel niet tot de conclusie leidt dat de geldende maatregel reeds daarom onrechtmatig is. Gelet op het arrest Bouskoura (C tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C‑387/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:868) dient de rechtbank daarom alleen de rechtmatigheidsvereisten van de thans geldende maatregel te beoordelen. De rechtbank zal eiser in deze procedure, die is ingeleid met het beroep tegen de op 30 september 2024 opgelegde maatregel, niet voor schadevergoeding in aanmerking brengen. Indien eiser vanwege de deels onrechtmatige tenuitvoerlegging aanspraak wil maken op schadevergoeding, kan hij een volgberoep tegen de voorgaande maatregel instellen en in die procedure alsnog naar voren brengen dat die voorgaande maatregel te lang zonder grondslag heeft voortgeduurd en dus onrechtmatig is geworden kort voordat die maatregel is opgeheven en de maatregel die in deze procedure ter toetsing voorligt is opgelegd. De rechtbank merkt hierbij op dat de rechtmatigheid van die voorgaande maatregel meerdere malen is beoordeeld en dat in de laatste uitspraak de rechtmatigheid van de maatregel tot en met 6 september 2024 is beoordeeld (uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ECLI:NL:RBDHA:2024:14697).
9. De rechtbank willigt het verzoek van eiser om prejudiciële vragen stellen over de termijn die in de rechtspraak is bepaald om een “maatregel om te zetten” niet in. Het Hof heeft reeds uitgelegd in eerdere arresten dat lidstaten de vreemdeling niet “per direct” in vrijheid hoeven te stellen als de grondslag aan de maatregel is komen te ontvallen omdat een dergelijke uitleg van het Unierecht in het geval sprake is van een onttrekkingsrisico in de weg staat aan de verplichting voor de lidstaten om een doeltreffend verwijderingsbeleid te voeren. De rechtbank verwijst ter motivering van haar toepassing van het arrest Bouskoura verder naar de einduitspraak na de verwijzing van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16568). De rechtbank stelt eiser niet in vrijheid enkel omdat de voorgaande maatregel te lang heeft voortgeduurd nadat de grondslag aan die maatregel is komen te ontvallen.
10.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P.A. Jacobs - van Wijlick, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 14 oktober 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en van de Minister van Asiel en Migratie van 2 juli 2024 tot het treffen van een voorziening inzake mandaat, volmacht en machtiging in verband met de instelling van het Ministerie van Asiel en Migratie en benoeming van de bewindspersonen bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Asiel en Migratie.