Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:16593
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
889 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37138
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 24 september 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 2 oktober 2024 gereageerd. De rechtbank heeft op 4 oktober 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld en dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen bij de aanvraag asiel blijkt dat eiser geen problemen heeft met de oplegging van de maatregel. Ook heeft eiser toen geen bijzondere medische omstandigheden aangevoerd. Verder geeft eiser in het aanmeldgehoor aan dat hij ziekjes is en daarvoor een arts heeft bezocht. Niet is gesteld of gebleken dat eiser niet voor zijn medische klachten bij de medische dienst in het detentiecentrum terecht kan. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om over te gaan tot het opleggen van een lichter middel.
Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Proces-verbaal van bevindingen bij de aanvraag asiel, bladzijde 2.
Aanmeldgehoor, 18 september 2024, bladzijde 3.