Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:16501
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,795 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37428
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister, (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
De minister heeft op 10 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 23 september 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 4 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank wanneer de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al vijfmaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 september 2024 (in de zaak NL24.32881) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 30 augustus 2024 tot het opheffen van onderhavige maatregel op 23 september 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is geweest.
Standpunten eiser
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen, zicht op uitzetting ontbreekt en er ten onrechte geen lichter middel is opgelegd. Tot slot stelt eiser dat de minister niet voortvarend heeft gehandeld. Nu de lp-aanvraag al sinds 15 juli 2023 loopt en eisers identiteit en nationaliteit nog niet zijn bevestigd, lag het op de weg van de minister om, met het oog op het bereiken van de zes maanden termijn (op 10 oktober 2024), bij het bereiken van de vijf maanden (op 10 september) of spoedig na 10 september 2024 al een positieve belangenafweging te maken die in het voordeel van eiser uitviel. Dat er uiteindelijk pas op 23 september 2024 (na vijf maanden en twee weken) een positieve belangenafweging is gemaakt, getuigt volgens eiser niet van voortvarend handelen. De minister had daarbij meer moeten doen dan alleen het versturen van een algemeen rappel op
12 september 2024, zoals het rappelleren op dossierniveau en het horen van eiser. Daarnaast heeft eiser de ambassade gebeld en kan hij er niks aan doen dat er niet werd opgenomen. De regievoerder had eiser beter moeten faciliteren.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. De stelling van eiser dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen is in het geheel niet onderbouwd en de rechtbank volstaat dan ook met de conclusie dat zij al eerder heeft geoordeeld dat de gronden de maatregel kunnen dragen. De rechtbank constateert daarnaast dat de verzwaarde belangenafweging tijdig heeft plaatsgevonden en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze eerder plaats had moeten vinden.
4.1.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Ten aanzien van de lange looptijd van de lp-aanvraag verwijst de rechtbank naar de uitspraak op het voorgaande volgberoep van 3 september 2024, waarin uiteen is gezet dat de lp-aanvraag van eiser is ingediend ten tijde van de vorige consul van Algerije, terwijl de samenwerking met deze consul moeizamer verliep. Dit verklaart de langere looptijd van de lp-aanvraag. Daarnaast heeft eiser zelf ook bijdragen aan de lange looptijd van de lp-aanvraag door te weigeren te verschijnen op een geplande presentatie. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister sinds het sluiten van het vorige onderzoek een schriftelijk rappel heeft verstuurd op 12 september 2024. Ter zitting is daar door de minister aan toegevoegd dat tijdens een bezoek van DT&V aan de Algerijnse ambassade op 12 september 2024 mondeling is gerappelleerd ten aanzien van de stand van zaken in de lp-aanvraag van eiser. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
4.2.
Ten aanzien van het zicht op uitzetting naar Algerije is de rechtbank van oordeel dat dit in het algemeen niet ontbreekt. Ook specifiek voor eiser was zicht op uitzetting tot aan het moment van opheffing van de maatregel aanwezig. Zoals in de uitspraak op het voorgaande volgberoep door de minister uiteen is gezet, is eind juli 2024 de lp-aanvraag met dacty op verzoek van de Algerijnse autoriteiten op een USB opnieuw aan hen verstrekt. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de Algerijnse autoriteiten niet binnen een redelijke termijn een lp aan eiser hadden kunnen verstrekken.
4.3.
Ten aanzien van het standpunt dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gekregen de ambassade te bellen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet is gebleken dat het voor eiser niet mogelijk was om op een ander moment nogmaals de ambassade te bellen.
5. Er zijn geen andere omstandigheden gebleken die maken dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is daarom ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en rechtbank Den Haag, 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7807.