Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:16485
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
940 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4078
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[opposante] , opposante,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Opposante heeft op 2 februari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen op een besluit op bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis.
Bij uitspraak van 24 september 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposante met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennelijk gegrond verklaard en verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Opposante heeft tegen deze uitspraak op 3 oktober 2024 verzet ingesteld.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
2. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling geldig was en twee weken daarna beroep was ingediend. Verweerder was met het nemen van een besluit daarom volledig tegemoet gekomen aan het beroep.
3. Opposante voert tegen de uitspraak van 24 september 2024 aan dat verweerder niet is opgedragen het door opposante betaalde griffierecht te vergoeden.
4. De rechtbank is van oordeel dat het verzet gegrond is, omdat had moeten worden bepaald dat verweerder het door opposante betaalde griffierecht op grond van artikel 8:74 van de Awb dient te vergoeden.
5. De rechtbank bepaalt derhalve dat verweerder het door opposante betaalde griffierecht van € 187,-- moet vergoeden.
6. Het verzoek van opposante om verweerder te veroordelen in de kosten van het verzet wordt op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht afgewezen. Het gaat hier om het herstellen van een kenbaar verzuim aan de zijde van de rechtbank, dat eenvoudig had kunnen worden hersteld met een briefje aan de griffie. Dat had geleid tot een herstelbeslissing waarmee hetzelfde doel had kunnen worden bereikt als met het door opposante ingestelde verzet. Het stond opposante vrij te kiezen voor de juridisch bestaande weg van verzet, maar gelet op het voorhanden zijnde alternatief kan niet worden gezegd dat de kosten van het verzet in dit geval in redelijkheid zijn gemaakt.
Dictum
- verklaart het verzet gegrond;
- bepaalt in aanvulling op haar uitspraak van 24 september 2024 dat verweerder het
door opposante betaalde griffierecht van € 187,-- (honderdenzevenentachtig euro)
moet vergoeden;
- wijst af het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten van het
verzet.
Deze uitspraak is gedaan op 10 oktober 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze hersteluitspraak staat geen verzet of hoger beroep open.
vgl. CRvB 30 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:949 en ECLI:NL:CRVB:2023:952.