Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:16408
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
907 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14493
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. O. Sarac),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 4 april 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 23 oktober 2022.
Bij besluit van 17 juli 2024 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep terecht was ingesteld omdat de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling geldig is. Verzoeker heeft het (terecht ingestelde) beroep ingetrokken en tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen. Door alsnog te beslissen op de asielaanvraag van verzoeker is verweerder in zoverre tegemoetgekomen aan het beroep dat verzoeker heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De intrekking van het beroep berust dan ook op de omstandigheid dat verweerder aan verzoeker is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,50 (vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 9 oktober 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.