Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:161
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,697 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36389
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Libische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 november 2023 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 30 oktober 2023 bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek op 31 oktober 2023 op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening aanvaard.
Mag de staatssecretaris uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser stelt dat hij in Oostenrijk geen zorgvuldige asielprocedure kan krijgen. Oostenrijk zal hem uitzetten naar zijn land van herkomst. In dat land heeft eiser gegronde reden te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt hij het risico om slachtoffer te worden van martelingen dan wel onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen zoals is verboden in artikel 3 van het EVRM. Eiser vreest dat hij niet de mogelijkheid zal krijgen om een effectief rechtsmiddel in te stellen tegen een afwijzende asielbeschikking, omdat hij in Oostenrijk dakloos dreigt te worden en daarmee toegang tot gratis rechtsbijstand onmogelijk wordt. Na overdracht vreest eiser dat hem behoorlijke opvang en toegang tot medische voorzieningen zullen worden onthouden, hetgeen voor eiser zal leiden tot een toestand van zeer verregaande materiele deprivatie.
6. De rechtbank stelt voorop dat de staatssecretaris er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Oostenrijk zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Oostenrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd gelet op het volgende.
7. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat Oostenrijk zich ten opzichte van hem niet aan zijn internationale verplichtingen houdt of dat er in Oostenrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat de omstandigheden voor Dublinterugkeerders zo slecht zijn dat eiser gezien het arrest Jawo niet naar Oostenrijk teruggestuurd zou mogen worden. Uit het persoonlijke relaas van eiser valt ook niet af te leiden dat de asielprocedure en de opvang van asielzoekers in Oostenrijk niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen. Verder overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat de Oostenrijkse autoriteiten het asielverzoek van eiser in behandeling zullen nemen en dat de asielaanvraag zal worden getoetst aan het EVRM. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor een gegronde vrees voor (indirect) refoulement. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij de behandeling van zijn asielaanvraag bij de Oostenrijkse autoriteiten feitelijk geen toegang zal hebben tot rechtsbijstand. Indien eiser problemen ondervindt met betrekking tot rechtsbijstand of anderszins, dan ligt het op de weg van eiser om daarover te klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten dan wel daarvoor bestemde instanties. Gesteld noch gebleken is dat dit niet mogelijk is of geen zin heeft.
8. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de staatssecretaris geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).