Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:16013
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,734 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6479
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats 1], verzoeker
(gemachtigde: mr. J.S.W. van Vossen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college
(gemachtigde: mr. Ö. Kizil).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], te [woonplaats 2] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verleende omgevingsvergunning voor het vergroten van de woning aan de [adres] te [woonplaats 1].
Met het bestreden besluit van 20 maart 2024 heeft het college deze omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door zijn dochter, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Totstandkoming van het besluit
2. Vergunninghouder heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het vergroten van de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] aan de achterzijde. De bestaande serre wordt gesloopt en de achtergevel van de woning wordt over de diepte van de serre met 2 bouwlagen uitgebreid.
2.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “het bouwen van een bouwwerk” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Beoordeling
Spoedeisend belang
4. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dit vereist. Aangezien vergunninghouder reeds is gestart met de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning is verleend en deze activiteiten alleen tijdelijk wil staken, hetgeen hij ter zitting heeft bevestigd, heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek.
Juridisch kader
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo nog van toepassing is.
5.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Kern Maasdijk”. Het perceel van vergunninghouder heeft de enkelbestemming “Wonen” en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie-4’.
Strijd met het bestemmingsplan
6. Verzoeker betoogt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens verzoeker moet het bouwplan worden gekwalificeerd als een uitbouw met daar bovenop een aanbouw. Daarom gelden volgens hem de hoogtematen uit artikel 15.2.2. van de planregels, waaraan het bouwplan niet voldoet. Verder wordt als gevolg van het bouwplan het maximaal toegelaten gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het erf overschreden, aldus verzoeker.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan volledig binnen het bouwvlak is voorzien. Daar geldt op grond van de planregels een maximale bouwhoogte van 10 meter en een maximale goothoogte van 6 meter. Dit betekent dat de hoofdregel is dat tot deze hoogtes mag worden gebouwd. Volgens de planregels geldt een uitzondering hierop als het gaat om aan- of uitbouwen, die slechts een bouwhoogte van 4 meter mogen hebben. Tussen partijen is in geschil of het bouwplan als uitbreiding van het hoofdgebouw moet worden aangemerkt of als een aan- of uitbouw waarbij de uitzondering van toepassing is.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een uitbreiding van het hoofdgebouw. Relevant daarbij is dat (1) het bouwplan voorziet in zijgevels die volledig doorgetrokken worden naar achteren, (2) de achtergevel naar achteren wordt verplaatst en (3) de woning wordt uitgebreid met een keuken op de begane grond en twee slaapkamers op de eerste bouwlaag; dat zijn ruimtes die qua aard bij het hoofdgebouw horen. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat de twee bouwlagen afzonderlijk zouden moeten worden beschouwd, omdat sprake is van één integraal bouwplan. Verzoeker wordt dan ook niet gevolgd in zijn betoog dat sprake is van een uitbouw op de begane grond en een aanbouw op de eerste verdieping. Het gehele bouwplan kan volgens de voorzieningenrechter ook niet worden gezien als een aanbouw zoals bedoeld in artikel 1.5 van de planregels, omdat er geen sprake is van een aparte ruimte die via het hoofdgebouw toegankelijk is. Ook is het bouwplan geen uitbouw als bedoeld in artikel 1.63 van de planregels, aangezien geen sprake is van de uitbreiding van een ruimte in het hoofdgebouw tot buiten het bestaande oorspronkelijke hoofdgebouw, zoals bijvoorbeeld een erker en die ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Dit betekent dat in dit geval de hoofdregel van toepassing is en gebouwd mag worden tot een hoogte van 10 meter. Het bouwplan voldoet daaraan, dus is geen sprake van strijd met het bestemmingsplan.
Strijd met de bouwverordening
7. Verzoeker betoogt verder dat het bouwplan niet voldoet aan de Bouwverordening Westland 2005 (de bouwverordening). Volgens verzoeker is op grond van artikel 2.1.5 een milieu-hygiënisch bodemonderzoek vereist, terwijl dit niet is uitgevoerd.
7.1.
In artikel 2.1.5, tweede lid, van de bouwverordening is bepaald dat de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, niet geldt als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Bor.
7.3.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan hieraan niet voldoet. Het college heeft toegelicht dat op het perceel op basis van artikel 2, derde lid, aanhef en onder f, van het Bor een oppervlak van 71,4 m² aan bijbehorende bouwwerken gebouwd kunnen worden. Een dergelijke ontwikkeling is naar aard en omvang gelijk aan het bouwplan van vergunninghouder. De voorzieningenrechter ziet geen reden om deze toelichting van het college voor onjuist te houden. Voor zover verzoeker betoogt dat het bouwplan van vergunninghouder hoger is dan de bouwmogelijkheden die artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Bor bieden, overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 2.1.5 van de bouwverordening de hoogtematen uit het Bor niet bij de vergelijking worden betrokken.
Strijd met het Bouwbesluit
8. Verzoeker betoogt verder dat niet alle benodigde stukken uit de Regeling omgevingsrecht zijn overgelegd ten behoeve van de toetsing aan de voorschriften van het
Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit). Volgens hem ontbreekt informatie over geluid, de wateropname in sanitaire ruimtes, de lucht- en waterdichtheid, het weren van ratten en muizen en de daglichttoetreding, de noodstroomvoorziening en –verlichting, de aansluitpunten van de drinkwater- en warmwatervoorziening en het leidingplan.
8.1.
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet het college aan de hand van de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden beoordelen of het aannemelijk is dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet. Als in bezwaar of beroep wordt betoogd dat niet wordt voldaan aan een specifiek aangegeven bepaling van het Bouwbesluit, dan moet het college onderbouwen en motiveren dat daaraan is voldaan.
8.2.
Volgens het college heeft vergunninghouder alle benodigde stukken overgelegd. Deze stukken zijn door een adviseur van het college beoordeeld op conformiteit met het Bouwbesluit. Hieruit is gebleken dat aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit. Het college heeft verder toegelicht dat op de overgelegde plattegrondtekening de gegevens over de daglichttoetreding en de sanitaire ruimtes is te zien. Gelet op de samenstelling van de wanden is het volgens het college aannemelijk dat er geen geluidoverlast zal optreden. Wat betreft de lucht- en de waterdichtheid van het project staat op de tekeningen welk materiaal wordt gebruikt. Het college heeft verder toegelicht dat bepaalde details later mogen worden aangeleverd. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen reden om hieraan te twijfelen. Voor zover ter zitting nog is gewezen op het ontbreken van gegevens over de afwatering van het dak op de bouwtekeningen, heeft vergunninghouder toegelicht dat het dak zal worden voorzien van deugdelijke afwatering.
Conclusie
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat van de omgevingsvergunning gebruik mag worden gemaakt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.